Table for the 576 triples with object "Dekker, Annemarie den"

SubjectPredicate
_:Achttiende-eeuwse mannenkleding van de elite is net zo luxueus en aan mode onderhevig als de dameskleding en bestaat gedurende deze hele periode uit een knielange jas, een vest en een nauwe kniebroek. Het driedelig pak is voor het eerst gedragen door de Engelse koning Charles II in 1666 en vervangt de wambuis. Pas in de achttiende eeuw dringt deze mode via Frankrijk door op het Europese vasteland. Het is de voorloper van het ons nu nog bekende mannenpak. Mannen zijn gekleed in dezelfde luxe stoffen, levendige kleuren en uitbundige decoratie als vrouwen. In de hals wordt een kanten jabot gedragen, uit de mouwen steken kanten stroken en aan de benen worden kostbare zijden kousen gedragen met lage puntige schoenen met gespen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Achttiende-eeuwse mannenkleding van de elite is net zo luxueus en aan mode onderhevig als de dameskleding en bestaat gedurende deze hele periode uit een knielange jas, een vest en een nauwe kniebroek. Het driedelig pak is voor het eerst gedragen door de engelse koning Charles II in 1666 en vervangt de wambuis. Pas in de achttiende eeuw dringt deze mode via Frankrijk door op het Europese vasteland. Het is de voorloper van het ons nu nog bekende mannenpak. Mannen zijn gekleed in dezelfde luxe stoffen, levendige kleuren en uitbundige decoratie als vrouwen. In de hals wordt een kanten jabot gedragen, uit de mouwen steken kanten stroken en aan de benen worden kostbare zijden kousen gedragen met lage puntige schoenen met gespen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Achttiende-eeuwse mannenkleding van de elite is net zo luxueus en aan mode onderhevig als de dameskleding en bestaat gedurende deze hele periode uit een knielange jas, een vest en een nauwe kniebroek. Het driedelig pak is voor het eerst gedragen door de engelse koning Charles II in 1666 en vervangt de wambuis. Pas in de achttiende eeuw dringt deze mode via Frankrijk door op het Europese vasteland. Het is de voorloper van het ons nu nog bekende mannenpak. Mannen zijn gekleed in dezelfde luxe stoffen, levendige kleuren en uitbundige decoratie als vrouwen. In de hals wordt een kanten jabot gedragen, uit de mouwen steken kanten stroken en aan de benen worden kostbare zijden kousen gedragen met lage puntige schoenen met gespen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Achttiende-eeuwse mannenkleding van de elite is net zo luxueus en aan mode onderhevig als de dameskleding en bestaat gedurende deze hele periode uit een knielange jas, een vest en een nauwe kniebroek. Het driedelig pak is voor het eerst gedragen door de engelse koning Charles II in 1666 en vervangt de wambuis. Pas in de achttiende eeuw dringt deze mode via Frankrijk door op het Europese vasteland. Het is de voorloper van het ons nu nog bekende mannenpak. Mannen zijn gekleed in dezelfde luxe stoffen, levendige kleuren en uitbundige decoratie als vrouwen. In de hals wordt een kanten jabot gedragen, uit de mouwen steken kanten stroken en aan de benen worden kostbare zijden kousen gedragen met lage puntige schoenen met gespen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Achttiende-eeuwse mannenkleding van de elite is net zo luxueus en aan mode onderhevig als de dameskleding en bestaat gedurende deze hele periode uit een knielange jas, een vest en een nauwe kniebroek. Het driedelig pak is voor het eerst gedragen door de engelse koning Charles II in 1666 en vervangt de wambuis. Pas in de achttiende eeuw dringt deze mode via Frankrijk door op het Europese vasteland. Het is de voorloper van het ons nu nog bekende mannenpak. Mannen zijn gekleed in dezelfde luxe stoffen, levendige kleuren en uitbundige decoratie als vrouwen. In de hals wordt een kanten jabot gedragen, uit de mouwen steken kanten stroken en aan de benen worden kostbare zijden kousen gedragen met lage puntige schoenen met gespen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is Flora, godin van bloemen en het voorjaar met de hoorn des overvloeds en een bloemtak in een tuin met hek, bloemen en vormbomen. Hierboven het opschrift: H= GROYEN EN BLOYEN VAN E[sic]LORA/. De naam Elora is een verschrijving van Flora, de godin van de bloemen en het voorjaar.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is de Amsterdamse stedenmaagd, een vrouwenfiguur met vrijheidshoed, lans en papierrol. Op papierrol het opschrift: t geweten vrij/ geen dwinglandij/ waaren vreyheyd/ der burger bleyheyd/ dat is de zaak/ waar om ik waak/. Aan haar voeten het gekroonde stadswapen van Amsterdam met daarboven een rijksappel. Aan weerszijden van het stadswapen krijgstrofee‰n. Rechts van de voorstelling twee krijgslieden en een hondje.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is de buitenplaats Ionica met hek, bijgebouw en tuinen. Boven voordeur de naam: IONICA/. Op andere zijde een gekroond medaillon met daarin een weggeslepen alliantiewapen. Hierboven een tekstlint met het opschrift: T.' GROEYEN. EN BLOEYEN. VAN IONICA./. De buitenplaats Ionica lag aan de Amstel, iets ten zuiden van de Kalfjeslaan. De aanleiding voor de vervaardiging van het glas is niet bekend. Waarschijnlijk is het besteld door Matthijs Herft (1709-1785), een Amsterdamse koopman die Ionica van 1755 tot 1785 in bezit had.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een adelaar met tekslint en het opschrift: S IOHANNES/. Rondom hals blauwe, gele en bruine lijnen, waartussen het jaartal: 1589/. Bohemen was aan het eind van de zestiende eeuw een exclusief productiecentrum voor kannen en bekers van kobaltblauw glas.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een gekroonde tweekoppige adelaar met gespreide vleugels waarop de zesenvijftig wapens van de Quaterniones Imperii, de wapens van de Duitse keurvorsten, vorsten, rijksstanden en steden. Voor de borst de rijksappel met kruis. Bovenin de vleugels, horizontaal geordend, de wapens van de keurvorsten met opschriften. Hieronder, in telkens zes verticale rijen, elk met tekstlint en verklarend opschrift, de wapens van de Quaterniones Imperii. Boven elke vleugel een Bourgondische vuurslag. Op achterzijde in wit email het opschrift: Daá Heillige/ R”mische Reich/ Mitt Sampt/ Seinen Gliedern/ 1659./. De Reichsadlerhumpen symboliseert de eenheid van het Heilige Roomse Rijk, gesticht door Karel de Grote in het jaar 800 en uiteengevallen in 1806. De wapens van de Quateriones Imperii tonen de grootte en de macht van het Duitse rijk. Het motief van de Reichsadler gaat terug op een houtsnede van Hans Burgkmair uit 1510, die later vele malen opnieuw in druk is uitgebracht. De grote beker diende als ceremonieel drinkgerei bij offici‰le ontvangsten van hoogwaardigheidsbekleders.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een gevangenis met Vrouwe Justitia, symbool van de Gerechtigheid, en het gekroonde stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen. Achter het getraliede venster rechts een man met een weefgetouw. Op de andere zijde het opschrift: T. WELVAREN VAN T. HUYS/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een gevangenis met Vrouwe Justitia, symbool van de gerechtigheid, en het gekroonde stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen. Achter het getraliede venster rechts een vrouw met een spinnenwiel. Op de andere zijde het opschrift: T. WELVAREN VAN T. HUYS/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een interieur met bakkersoven. Hierboven in radgravure het opschrift: A Van Der Schuyt/ Ingenieur/ Constructeur/. Op andere zijde: Exposition de/ Meunerie et de/ Boulangerie 1885/ Medaille, D' argent/. Het glas is vervaardigd voor Abraham van der Schuyt (1857-1942), ter herinnering aan het behalen van de zilveren medaille op de Exposition de Meunerie et de Boulangerie (Meelfabricage en Bakkerijbedrijven) in 1885 te Parijs. Hij kreeg de medaille voor een door hem ontworpen heetwateroven. Van der Schuyt was eigenaar van de Fabriek van Gaskracht-, Stoom- en andere Werktuigen te Rotterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een kraamkamer met kraamvrouw in bed, een baker met een wieg, een luierwarmer met kleed, vier stoelen en een tafel met twee dekselbekers en een fles. Boven de voorstelling het opschrift: HET.WEL.VAAREN.VAN.DE.KRAAM.VROUW.EN.KINDIE./.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een landschap met stad aan het water en een kerk met op de deur het monogram: CHT/. Links hiervan het wapen van Saksen. Boven stadsgezicht het opschrift: Stadt Schandauw./. Op andere zijde van de beker een gekroond wapenschild met een zeilend schip, waarboven het opschrift: Mit GOTT Hindurch./ (Samen met God). Onder schild het jaartal: 1677./. Schandauw is de huidige plaats Bad Schandau in Saksen. Het monogram CHT is niet ge‹dentificeerd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een mannenfiguur met een geheven glas, staand op grondje. Op de andere zijde het opschrift: Wirdt/ Herein/ Hunds Fot/ Sch„nck/ Ein/ (Waard, hond, schenk in).ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een mannetje met een glas, zittend op een wijnvat. Hierboven het opschrift: HANSIE IN DE KELDER/. Kelkglazen als deze kwamen veelvuldig voor in de achttiende eeuw. Een dronk uit de bokaal was om een zwangerschap aan te kondigen. De naam Hans was vrij algemeen en kon zowel op een ongeboren jongetje als een meisje van toepassing zijn. Met de kelder werd symbolisch de moederschoot bedoeld. In de late achttiende eeuw verloor dit type drinkglas gaandeweg aan populariteit.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een medaillon waarin een zuil met het stadswapen van Amsterdam, geflankeerd door een zittende vrouw met gesel en een vrouw met spinnewiel. Op andere zijde het opschrift: HET WELVAAREN VAN HET WERK EN SPIN- HUIS/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is een zeilende driemaster met op voor- en achtersteven een vlag met de letters: VOC/ (Verenigde Oost-Indische Compagnie), waarboven: A/, de Amsterdamse kamer van de VOC. Op andere zijde een gekroond, met vaandels, ankers en pieken omkranst schild, waarin het monogram: VOC/ en de letter: A/. Onder kelkrand het opschrift: T' WELVAREN= VAN D' OOST=INDISCHE= COMPAGNIE=/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is het gekroonde stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is het gekroonde stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is het gekroonde stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is het gekroonde stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen. Hierboven het opschrift: T. WELVARE DESER STADT./. Op de andere zijde een stralende zon.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is het gekroonde stadswapen van Amsterdam, het zegel van met het Koggeschip en het opschrift: .S:OPIDI.DE.AMSTELREDAMME/ (Zegel der burgers van Amstelredamme). Op de andere zijde van de kelk in gotische letters het opschrift: Ter gedachtenis/ aan het 650 jarig/ bestaan der stad/ Amsterdam/ 1275 - 1925./ 27 October./. Het glas is vervaardigd ter gelegenheid van het 650-jarig bestaan van Amsterdam in 1925. Voor het zegel heeft het oudste stadzegel van Amsterdam als voorbeeld gediend.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is het gekroonde wapen van Oranje Nassau, met links een tak met oranjeappels en rechts een rank met rozen. Op de andere zijde het opschrift: LANG LEEFT DE GRAAFF/ VAN BUUREN/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is het gekroonde wapen van stadhouder Willem IV en het teken van de Orde van de Kouseband met het devies: HONI.SOIT.QUI MAL..Y.PENSE./ (Schande over hem die er kwaad van denkt), met twee gekroonde leeuwen op een plint met krijgstrofee‰n en het opschrift: IE MAINTIEN=DRAI/ (Ik zal handhaven).ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is het portret van Hendrik Hooft Danielsz., een keeshond en de opschriften: HENRIK HOOFT Danielsz. BURGEMEESTER der Stadt AMSTERDAM./, Zie hier het Beeld des acht'bre Hooft!/ Wiens Heilzon nimmermeer verdoofd,/ Wiens Grootheid nu, nog, nooit zal sneeven/ Zolang den Patriot zal leeven/. Het stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen met het opschrift: HET WAAPEN VAN AMSTERDAM./ 1789./ Het Acht'bre Wapen van de Groote Stad aan 't Y/ Het Kweekschool van de Vrijheidminnende Burg'ry/ Sal Eeuwig 't Gryze Hoofd van Vader Hooft bekronen,/ Lang Leev' Deez' Braave Held, en alle Vrijheids Zonen/. Burgemeester Hendrik Hooft Danielsz. was de meest Patriotsgezinde burgemeester in het Amsterdamse stadsbestuur in de jaren tachtig van de achttiende eeuw. Na het herstel van Oranje in 1787 moest hij vluchten. Hij overleed in Franse ballingschap in 1794. De dichtregels op het glas komen voor op een ongedateerd achttiende-eeuws pamflet met de titel 'Op de afbeelding van den Wel Edelen Groot Achtbaaren Hendrik Hooft Danielsz.'.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is het stadswapen van Amsterdam en het beeldmerk van de Olympische Spelen. Rondom beeldmerk in zwarte opdruk het opschrift: AMSTERDAM HEEFT 'T OLYMPISCH VUUR/, waaronder: Amsterdam 1992/. In 1992 bracht de Stichting Olympische Spelen verschillende artikelen ter promotie van de Amsterdamse Olympische Spelen op de markt.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld is het wapen van de keurvorst van Saksen met helmen en helmtekens. Boven wapen het opschrift: I.GD.4.H.Z.S.I.C.B.E.u.W.C./. Onder wapen in gotische letters het opschrift en de datering: Hoffkellereij Dreáden./ 1692./. De initialen staan voor: Johann Georg den 4. Herzog Zu Sachsen Jlich Cleve Berg Engern und Westfalen Churfrst. Johann Georg (1668-1694) was keurvorst van 1691 tot 1694. Hofkellereiglazen werden vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot in de achttiende eeuw in opdracht van het Saksische hof vervaardigd. Dergelijk ceremonieel glaswerk was bestemd voor de residentie in Dresden en andere keurvorstelijke verblijven.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld zijn de heiligen Sint Antonius Abt, Sint Sebastiaan en Sint Bernardus van Clairvaux met lelietjes-van-dalen. Sint Antonius Abt is afgebeeld als een oude, baardige man in monnikspij. Zijn attributen zijn een stok in de vorm van een Griekse T, een bel en een varken. De pijlen zijn de attributen van Sint Sebastiaan. Bernardus van Clairvaux wordt gewoonlijk afgebeeld als een jonge man zonder baard in een wit habijt en met een herdersstaf in de hand.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld zijn drie putti op wolken. Links de Voorzichtigheid: een putto met spiegel en slang. In het midden een putto met de Hollandse leeuw en rechts een putto als Minerva met een uil, de Wijsheid symboliserend. Boven de voorstelling een tekstlint met het opschrift: SIC OPORTET/ (Aldus behoort het). Het glas wordt samen met een ander glas en een aantekeningenboekje bewaard in een bijbehorend cederhouten kistje. Op maandag 13 januari 1777 leverde de Wed. Cornelis Le Maitre & Zoon te 's-Gravenhage aan het kranslid de heer Bicker voor vierentachtig gulden: '1 Engelsche Groote Extra fraaij gestipte Pocaal met een gesleepen steel'. Waarschijnlijk heeft deze rekening betrekking op bovenstaand glas.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld zijn twee familiewapens onder een kroon, het linker geflankeerd door de naam: SLOTERDICK/, het rechter door: JELGERSMA/. Simon Sloterdijck (1695-1768), ontvanger van de convooien en licenten in Harlingen, trouwde op 1 november 1722 in Kinswerd met Yda Jelgersma (1701-1768).ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld zijn twee voornaam geklede heren die elkaar de hand geven. Op de andere zijde de stadswapens van Amsterdam en Gouda. Hierboven het opschrift: DE GOEDE HARMONIE VAN DE TWE STEDEN=/. Scherf uit voet, aangevuld met perspex.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld zijn vier familiewapens van de regenten van het Leprozenhuis met de namen: DE HR REINIER IAN VAN DEN BROEK/ DE HR DANIEL NOLTHENIUS/ DE HR ISAAC VEENING./ DE HR MATTHYS VAN SON/. Op onderste deel kelk een familiewapen met de naam: HENDRIK VAN VEEN./ en het opschrift: TER 25-IAARIGE GEDAGTENIS, VAN HENDRIK VAN VEEN,/ ALS BOEKHOUDER VAN T' LEPROSENHUYS DER/ STADT AMSTERDAM, ISDEESE BOECAAL/ AAN T' HUYS PRESENT GEDAAN,/ DEN 8 STE IANUARY 1774./. Het glas verwijst naar het 25-jarig jubileum van Hendrik van Veen (1722-1775) als boekhouder bij het Leprozenhuis in 1774. Mogelijk is uit dit glas een toost op de jubilerende boekhouder uitgebracht, op de 'extra comptoirdag' van zaterdag 8 januari 1774.ns3:AHMTextsAuthor
_:Afgebeeld zijn vliegende duiven. Gekrast op onderzijde lichaam: LEERDAM UNICA MAC 206 LL F. Meydam/. De kom is uitgevoerd door meester glasblazer Leendert van der Linden. De gezandstraalde decoratie is niet door Meydam ontworpen. Waarschijnlijk heeft de eigenaar die op eigen initiatief laten aanbrengen, al of niet in Leerdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Al in voorgaande jaren is de trend ingezet maar vanaf 1840 ligt het accent in vrouwenkleding steeds meer op de rok. Deze zal tot ongeveer 1860 groter en wijder worden. Meerdere gesteven onderrokken moeten het gewenste resultaat bereiken. Na een periode van zuinigheid en soberheid neemt het verlangen naar luxe en weelde weer toe. Het stofgebruik verandert, de katoenen stoffen maken plaats voor zwaardere, duurdere zijde. Deze japon uit circa 1840 is typerend voor de periode. Het lijfje loopt spits toe, de rok is wijd en de mouwen zijn lang en strak. De hals wordt overdag hooggesloten en kan met losse kraagjes of met chemisetjes gedragen worden. Een laag chemisetje is bij meer geklede gelegenheden en een hooggesloten chemisetje bij dagelijks gebruik in de mode.Vervolgens is het mogelijk over het chemisetje de bij deze japon behorende pelerine - een soort hooggesloten kraag - te dragen. Op deze manier wordt deze ene wijde rok bij verschillende gelegenheden gedragen. Met behulp van een korset wordt de slanke taille verkregen. Vanaf 1840 wordt de ruimte tussen beide borsten opgevuld met kussentjes om een welvende, enkele "monoboezem" te creëren. In advertenties van modetijdschriften worden allerlei vullingen aangeboden. Het wordt onzedelijk gevonden als de boezem van de vrouw tijdens het lopen zichtbaar beweegt en om dezelfde reden wil men niet laten zien dat vrouwen twee borsten hebben. De monobuste blijft tot circa 1915 gebruikelijk. Op het hoofd dragen de vrouwen thuis een witte muts en op straat een grote luifelhoed.ns3:AHMTextsAuthor
_:Als in 1856 de hoepelrok zijn intrede doet, kan met minder gewicht een veel groter volume van de rok worden bereikt. Deze hoepelrok wordt ook crinoline genoemd, net als de eerdere onderrok van paardenhaar (crin). De lila kleurige crinoline is een vroege hoepelrok uit circa 1858. De hoepels zijn met koperen plaatjes gesloten. Voor de vroege hoepelrokken is de koepelvorm kenmerkend. Een tweede kooicrinoline uit de verzameling (circa 1858, niet afgebeeld) heeft hoepels die verstelbaar zijn. Het getoonde exemplaar is niet verstelbaar, maar na 1860 aan een latere mode aangepast. Daar waar de bevestigingsplaatjes zitten zijn de oorspronkelijk ronde hoepels ingeschoven, zodat de voorzijde is afgeplat. Het model sluit nu aan op het model rokken na 1860: rokken zijn dan aan voor en zijkanten platter en het accent ligt meer op de billen. Deze crinoline is lange tijd meegegaan, ook in de tijd dat de koepelvorm van de rok uit het modebeeld is verdwenen. Een andere crinoline uit de collectie toont een later model uit circa 1865. De schuin aflopende lijn legt het accent op de achterzijde. Grote slepen maken het nodig om twee verschillende crinolines te bezitten: een kleine ronde voor wandel- en reiskleding en een uitlopende, meer naar achter staande voor onder de avond- en balkleding. Dit dubbele exemplaar bestaat uit een ronde crinoline (voor overdag) en een extra deel dat aan de crinoline vastgeknoopt kan worden (voor avondkleding). De crinoline met aanzetstuk heeft een omvang van maar liefst 3,5 meter. Na 1866 verdwijnen de grote slepen in de japonnen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Als in 1856 de hoepelrok zijn intrede doet, kan met minder gewicht een veel groter volume van de rok worden bereikt. Deze hoepelrok wordt ook crinoline genoemd, net als de eerdere onderrok van paardenhaar (crin). De lila kleurige crinoline is een vroege hoepelrok uit circa 1858. De hoepels zijn met koperen plaatjes gesloten. Voor de vroege hoepelrokken is de koepelvorm kenmerkend. Een tweede kooicrinoline uit de verzameling (circa 1858, niet afgebeeld) heeft hoepels die verstelbaar zijn. Het getoonde exemplaar is niet verstelbaar, maar na 1860 aan een latere mode aangepast. Daar waar de bevestigingsplaatjes zitten zijn de oorspronkelijk ronde hoepels ingeschoven, zodat de voorzijde is afgeplat. Het model sluit nu aan op het model rokken na 1860: rokken zijn dan aan voor en zijkanten platter en het accent ligt meer op de billen. Deze crinoline is lange tijd meegegaan, ook in de tijd dat de koepelvorm van de rok uit het modebeeld is verdwenen. Een andere crinoline uit de collectie toont een later model uit circa 1865. De schuin aflopende lijn legt het accent op de achterzijde. Grote slepen maken het nodig om twee verschillende crinolines te bezitten: een kleine ronde voor wandel- en reiskleding en een uitlopende, meer naar achter staande voor onder de avond- en balkleding. Dit dubbele exemplaar bestaat uit een ronde crinoline (voor overdag) en een extra deel dat aan de crinoline vastgeknoopt kan worden (voor avondkleding). De crinoline met aanzetstuk heeft een omvang van maar liefst 3,5 meter. Na 1866 verdwijnen de grote slepen in de japonnen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Apothekersfles, gebruikt voor het mengen van vloeistoffen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Apothekersfles, gebruikt voor het mengen van vloeistoffen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Apothekersfles, gebruikt voor het mengen van vloeistoffen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Bij dit glas tekent zich in het noppenpatroon op de bodem van de kelk een bloemvorm af. Zie voor soortgelijke glazen: Glas 1991, p. 147 nr 46, p. 108 nr 100, p. 109 afb. 100; Ritsema van Eck/Zijlstra-Zweens 1993, p. 64 nr 80 afb.ns3:AHMTextsAuthor
_:Bijzonder aan deze japon is dat bekend is wie de draagster is geweest, namelijk Geertrui Springer-ten Cate (1819-1902). Bovendien is een portret bewaard gebleven waarop zij als 28-jarige is afgebeeld en de japon draagt. Geertrui - de vrouw van Cornelis Springer (1817-1891), de bekende schilder van romantische stadsgezichten - draagt op dit portret het in die tijd veel voorkomende kapsel met langs het gezicht neerhangende pijpenkrullen, dat geïnspireerd is op een haardracht uit de tweede helft van de zeventiende eeuw. Het decolleté van de roze gestreepte, zijden japon is opgevuld met een batisten chemisette met een brede, met kant afgezette kraag. De mouwen zijn pagodevormig en de rok is naar het heersende modebeeld wijd en reikt tot de grond. De verschillende onderdelen waaruit deze vierdelige japon bestaat zijn niet gelijktijdig, maar op diverse momenten van de dag gedragen. Op deze manier kan de rok op verschillende manieren zijn gecombineerd. De japon bestaat uit een wijde rok, een lijfje met lage hals (voor 's avonds), een hooggesloten lijfje met halflange pagodemouw (voor overdag) en een pelerine die aan de voorzijde gesloten wordt met knoopjes (variatie voor overdag). Op het portret draagt Geertrui het lijfje met de lage hals met daaraan een schouderkraag of 'berthe' in dezelfde stof; deze laatste is overigens niet in de collectie aanwezig. Stoffen waren zeer kostbaar en meerdelige japonnen die verschillende combinaties opleveren, zijn dan ook zeer gebruikelijk. De japon en het schilderij zijn via twee kleindochters van Geertrui Springer-ten Cate en Cornelis Springer in 1944 in de collectie terechtgekomen.ns3:AHMTextsAuthor
_:De Franse revolutie (1789) zorgt voor een grote verandering in het Europese kleedgedrag van de welgestelden. Het Franse hof bestaat niet meer en kan geen mode voorbeeld meer geven. Alles wat aan het oude regime deed denken verdween, zo ook de luxe japonnen met paniers, de geborduurde herenpakken, het kant en de pruiken. Het Nederlandse modetijdschrift Kabinet van mode en smaak heeft in 1794 niet veel nieuws op modegebied uit Parijs: ‘Alles ademt hier de grootste eenvoudigheid, en eene bijna boersche dragt heeft de plaats ingenomen van buitenspeurigen zwier en hooffsche kleedije ingenomen. […] Om kort te gaan Parijs is Parijs niet meer’. In Nederland zijn de invloeden van de revolutie langzaam en geleidelijk ingetreden. De snelle verandering en de uitspattingen in kleedgedrag kent men hier niet. Bovendien kleedt de Nederlandse elite zich al geruime tijd ook naar de Engelse mode, die meer natuurlijke lichaamsvormen laat zien en losser valt. Al voor 1800 is de hoge taille in Nederland te zien. Regelmatig zijn bestaande japonnen vermaakt en aangepast aan de nieuwe mode, zoals deze roomkleurige japon. De geborduurde zijde dateert uit circa 1785-’90, terwijl het model met de hoge taille en strakke mouwen zeer modieus is voor de jaren 1797-1800. De japon heeft een gevoerd lijfje, gevoerde mouwen, een rok met sleep en twee zijsplitten. Na 1800 worden japonnen ongevoerd gedragen en valt de rok vanuit de hoge taillelijn sluik neer. De sleep en splitten zijn dan vervallen. Dit model geldt als voorloper van de nieuwe Empire-mode.ns3:AHMTextsAuthor
_:De cijfers op de kelk zijn mogelijk van later datum; de betekenis ervan is niet bekend. Zie voor een soortgelijke grote berkemeier: Ritsema van Eck/Zijlstra-Zweens 1993, p. 125 nr 172.ns3:AHMTextsAuthor
_:De drinker moest proberen het glas in ‚‚n teug leeg te drinken, zonder de klepel die zich in de klokvormige kelk bevindt te laten klingelen.ns3:AHMTextsAuthor
_:De fles is beschilderd met een ovaal medaillon waarin een zeegezicht met schepen, het linker schip brandt. Dit type wijnfles wordt ook wel 'kalkoentje' genoemd. Negentwintig flesjes met geschilderde portretten van Amsterdamse burgemeesters bevinden zich in het proeflokaal De Drie Fleschjes in Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:De geledingen in de kelk dienden om het depot van de wijn te laten bezinken.ns3:AHMTextsAuthor
_:De glasdraden verdelen de wand van het glas in passen. Deze passen dienden naast versiering, als maatstrepen bij een populair zeventiende-eeuws drinkspel waarbij de drinker in ‚‚n teug tot de eerste pas moest drinken. Lukte dat niet, dan diende tot de volgende pas te worden doorgedronken.ns3:AHMTextsAuthor
_:De glazen knop zou dienen om luchtbelletjes van mousserende wijn te concentreren. Mogelijk werden drinkschalen als deze ook als vingerkommen gebruikt.ns3:AHMTextsAuthor
_:De groen met roze robe à la française - met de voor dit model japon typische platte plooien op de rug die vanaf de schouders uitwaaieren - heeft een voor de jaren 1770-’75 modieuze streep. Stoffen waren kostbaar en japonnen werden lang bewaard en zonodig aangepast aan het figuur of vermaakt naar een nieuwe mode. De binnenkant en zijkanten van het lijfje vertonen sporen van aanpassing. Het lijfje is uitgelegd en losser gemaakt, de rok is ingekort en opnieuw geplooid. Aan het model zelf is niets veranderd. De roze japon is, aan het naaisel te zien, rond 1900 grondig verknipt en vermaakt. Van het oorspronkelijke robe à l´anglaise-model - waarbij de plooien op de rug in een diepe punt zijn vastgezet - is weinig meer over. Het is niet onwaarschijnlijk dat de japonnen na het eerste gebruik later opnieuw zijn gedragen op een gekostumeerd bal. In de negentiende eeuw waren deze bals, waarbij de genodigden historische kostuums droegen, een populair tijdverdrijf. Geliefd waren de modellen uit de twee voorgaande eeuwen, de periode waarin de Franse hofmode met wijde afgeplatte rokken de toon aangaf. Met name in Engeland werd grootschalig uitgepakt op gekostumeerde feesten. Ook Amsterdam heeft zijn feesten gekend. Het besloten gezelschap Het Casino (1816-1934) organiseerde regelmatig bals, waaronder gekostumeerde bals. De leden behoorden tot de upper class van Amsterdam. Ook particulieren organiseerden gekostumeerde feesten, zoals de kunstverzamelaar Abraham Willet (1825-1888). Een prent toont verklede en feestende mensen in de balzaal van zijn huis aan de Herengracht 605 (momenteel Museum Willet-Holthuysen).ns3:AHMTextsAuthor
_:De groen met roze robe à la française - met de voor dit model japon typische platte plooien op de rug die vanaf de schouders uitwaaieren - heeft een voor de jaren 1770-’75 modieuze streep. Stoffen waren kostbaar en japonnen werden lang bewaard en zonodig aangepast aan het figuur of vermaakt naar een nieuwe mode. De binnenkant en zijkanten van het lijfje vertonen sporen van aanpassing. Het lijfje is uitgelegd en losser gemaakt, de rok is ingekort en opnieuw geplooid. Aan het model zelf is niets veranderd. De roze japon is, aan het naaisel te zien, rond 1900 grondig verknipt en vermaakt. Van het oorspronkelijke robe à l´anglaise-model - waarbij de plooien op de rug in een diepe punt zijn vastgezet - is weinig meer over. Het is niet onwaarschijnlijk dat de japonnen na het eerste gebruik later opnieuw zijn gedragen op een gekostumeerd bal. In de negentiende eeuw waren deze bals, waarbij de genodigden historische kostuums droegen, een populair tijdverdrijf. Geliefd waren de modellen uit de twee voorgaande eeuwen, de periode waarin de Franse hofmode met wijde afgeplatte rokken de toon aangaf. Met name in Engeland werd grootschalig uitgepakt op gekostumeerde feesten. Ook Amsterdam heeft zijn feesten gekend. Het besloten gezelschap Het Casino (1816-1934) organiseerde regelmatig bals, waaronder gekostumeerde bals. De leden behoorden tot de upper class van Amsterdam. Ook particulieren organiseerden gekostumeerde feesten, zoals de kunstverzamelaar Abraham Willet (1825-1888). Een prent toont verklede en feestende mensen in de balzaal van zijn huis aan de Herengracht 605 (momenteel Museum Willet-Holthuysen).ns3:AHMTextsAuthor
_:De hensbeker heeft toebehoord aan de Saturdagse Krans, een gezelligheidsvereniging van Amsterdamse regenten. Het genootschap bestond van 1718 tot 1797. Het latijnse opschrift op de kelk duidt op de onderlinge vriendschap tussen de kransleden. De spreuk komt voor als motto in Roemer Visschers 'Sinnepoppen' (1614) voor één van de emblemata als lofprijzing op een tijd van vrede en rust (Visscher 1949, p. 57 afb.; Smit 1992-B, p. 31 afb.). Het glas is vermoedelijk al vóór 1765 gebroken, omdat in genoemd jaar twee nieuwe glazen werden gekocht. In elk geval vermeldt een aantekening van zaterdag 2 april 1785 'een groote kas [=cassette] daarin een stukkend Bocaal'. Bedoeld wordt de bijbehorende lindenhouten foedraal die bewaard bleef. Op de foedraal het opschrift: Van de Saturdagse Crans/.ns3:AHMTextsAuthor
_:De kan diende voor het schenken van water en vormde samen met een schotel mogelijk een lampetstel.ns3:AHMTextsAuthor
_:De karaf paste bij verschillende door Muller ontworpen drinkserviezen waaronder Cyrano.ns3:AHMTextsAuthor
_:De kleurige bedrukte katoen van het jak en de rok springt direct in het oog. De oorsprong van deze in Europa bedrukte stof vindt zijn oorsprong in India, waar katoen zowel beschilderd als bedrukt werd. Al in de zeventiende eeuw worden veelkleurige stoffen uit India – sitsen genaamd – door de Verenigde Oost-Indische Compagnie meegenomen naar Europa. Aanvankelijk worden de stoffen vooral toegepast als textielinterieur, maar vanaf het midden van de zeventiende eeuw wordt het in gegoede standen populair ze te verwerken tot informele kleding. Sits is door de hoge prijs in die tijd een statusobject. Via Amsterdam zijn de sitsen verhandeld op de internationale markt. Om sneller op de heersende mode in te spelen volgen er in Europa experimenten met de Indische methode waarbij met behulp van beitsen en meekrap de rode tinten op katoen zijn gedrukt. De blauwe kleur is verkregen met indigo, waarbij het dessin eerst in was wordt gedrukt. Er komen katoendrukkerijen in onder andere Amsterdam. De ongeverfde effen katoen en de grondstoffen voor het drukken zijn doorgaans uit het buitenland aangevoerd. Vooral na 1700 groeit het aantal katoendrukkerijen snel. Tot 1770 zijn er ten minste negentig katoendrukkerijen actief in Amsterdam. Toenemende concurrentie uit het buitenland maakt dat de katoenindustrie afneemt en dat steeds meer drukkerijen failliet gaan. Aan het einde van de achttiende eeuw raakt de bedrukte katoen in de stad uit de mode. In de provincie en op het platteland blijft het geliefd en gebruikt, met name in streek- en volksdrachten.ns3:AHMTextsAuthor
_:De meeste bewaard gebleven japonnen zijn kledingstukken voor feestelijke en bijzondere gelegenheden. Dit rode jak en deze rok in dezelfde stof vormen een goed en vroeg voorbeeld van wat een burgerdame overdag, informeel, droeg in het derde kwart van de achttiende eeuw. Dergelijke jakken met de kenmerkende driekwartmouw worden caraco’s genoemd en zijn ook door vrouwen uit de werkende stand gedragen. In het derde kwart van de achttiende eeuw is het als dagelijkse- of huisdracht ook mode onder de vrouwen uit de hogere standen. Het jak kon – zoals hier - dezelfde effen stof hebben als de rok, maar bedrukte caraco’s kwamen veelvuldig voor en deze werden gedragen op rokken in een afwijkende stof. Dergelijke jakken met rokken zijn weinig afgebeeld op schilderijen. Zij die het zich konden veroorloven om zich te laten portretteren lieten zich in de meeste gevallen vereeuwigen in hun mooiste en kostbaarste kleding. De schilder Hendrik Pothoven (1726-1807) heeft een onbekende dame die een caraco met afwijkende kleur rok draagt, geportretteerd. Het onderwerp is informeel: de dame zit in huis aan de theetafel. Caraco’s worden de rest van de achttiende eeuw gedragen. In het modetijdschrift Kabinet van mode en smaak uit 1791 staat dat in deze periode de ‘Deshabille’s’ of het ‘gekleed negligee’ (de jakken of caraco’s) en rokken de overhand hebben op de ‘heele en halve kleeding’, de robes of japonnen. In 1792 wordt echter melding gemaakt van het feit dat ‘De mode der caraco’s, schijnt, daar dezelve te algemeen geworden is, te verminderen’.ns3:AHMTextsAuthor
_:De meeste bewaard gebleven japonnen zijn kledingstukken voor feestelijke en bijzondere gelegenheden. Dit rode jak en deze rok in dezelfde stof vormen een goed en vroeg voorbeeld van wat een burgerdame overdag, informeel, droeg in het derde kwart van de achttiende eeuw. Dergelijke jakken met de kenmerkende driekwartmouw worden caraco’s genoemd en zijn ook door vrouwen uit de werkende stand gedragen. In het derde kwart van de achttiende eeuw is het als dagelijkse- of huisdracht ook mode onder de vrouwen uit de hogere standen. Het jak kon – zoals hier - dezelfde effen stof hebben als de rok, maar bedrukte caraco’s kwamen veelvuldig voor en deze werden gedragen op rokken in een afwijkende stof. Dergelijke jakken met rokken zijn weinig afgebeeld op schilderijen. Zij die het zich konden veroorloven om zich te laten portretteren lieten zich in de meeste gevallen vereeuwigen in hun mooiste en kostbaarste kleding. De schilder Hendrik Pothoven (1726-1807) heeft een onbekende dame die een caraco met afwijkende kleur rok draagt, geportretteerd. Het onderwerp is informeel: de dame zit in huis aan de theetafel. Caraco’s worden de rest van de achttiende eeuw gedragen. In het modetijdschrift Kabinet van mode en smaak uit 1791 staat dat in deze periode de ‘Deshabille’s’ of het ‘gekleed negligee’ (de jakken of caraco’s) en rokken de overhand hebben op de ‘heele en halve kleeding’, de robes of japonnen. In 1792 wordt echter melding gemaakt van het feit dat ‘De mode der caraco’s, schijnt, daar dezelve te algemeen geworden is, te verminderen’.ns3:AHMTextsAuthor
_:De meeste bewaard gebleven japonnen zijn kledingstukken voor feestelijke en bijzondere gelegenheden. Dit rode jak en deze rok in dezelfde stof vormen een goed en vroeg voorbeeld van wat een burgerdame overdag, informeel, droeg in het derde kwart van de achttiende eeuw. Dergelijke jakken met de kenmerkende driekwartmouw worden caraco’s genoemd en zijn ook door vrouwen uit de werkende stand gedragen. In het derde kwart van de achttiende eeuw is het als dagelijkse- of huisdracht ook mode onder de vrouwen uit de hogere standen. Het jak kon – zoals hier - dezelfde effen stof hebben als de rok, maar bedrukte caraco’s kwamen veelvuldig voor en deze werden gedragen op rokken in een afwijkende stof. Dergelijke jakken met rokken zijn weinig afgebeeld op schilderijen. Zij die het zich konden veroorloven om zich te laten portretteren lieten zich in de meeste gevallen vereeuwigen in hun mooiste en kostbaarste kleding. De schilder Hendrik Pothoven (1726-1807) heeft een onbekende dame die een caraco met afwijkende kleur rok draagt, geportretteerd. Het onderwerp is informeel: de dame zit in huis aan de theetafel. Caraco’s worden de rest van de achttiende eeuw gedragen. In het modetijdschrift Kabinet van mode en smaak uit 1791 staat dat in deze periode de ‘Deshabille’s’ of het ‘gekleed negligee’ (de jakken of caraco’s) en rokken de overhand hebben op de ‘heele en halve kleeding’, de robes of japonnen. In 1792 wordt echter melding gemaakt van het feit dat ‘De mode der caraco’s, schijnt, daar dezelve te algemeen geworden is, te verminderen’.ns3:AHMTextsAuthor
_:De opaak groene kleur is verkregen door vermenging van geel met blauw glas. Het opaak gele glas is bedekt met een laag helder kleurloos glas.ns3:AHMTextsAuthor
_:De periode rond en vlak na 1900 vertoont twee uitersten in het modebeeld. Aan de ene kant de luxueuze japonnen - met de S-lijn en veel versieringen en kanten - aan de andere kant de comfortabele, korsetloze japonnen van de Reformbeweging. In 1899 wordt in Nederland de Vereeniging voor Verbetering van Vrouwenkleeding opgericht, met verschillende landelijke afdelingen. Deze is voorstander van hygiënische en draagbare kleding. Het korset wordt streng veroordeeld, het lichaam moet in natuurlijke, gezonde vorm worden teruggebracht. Via het maandblad en modellendozen zijn de ideeën uiteengezet en knippatronen van diverse modellen reformkleding verspreid. Met de reformdracht probeert men gezonde, praktische en toch mooie alternatieven te bieden voor zowel onder- als bovenkleding. De meeste leden zijn vooruitstrevende dames die behoren tot de gegoede klasse. Voor het grote publiek is de overgang naar de reformkleding te excentriek. Deze japon is eenvoudig in vorm en versiering: het model is recht van snit en zonder gemarkeerde taille. De enige versiering zit langs de rand van de vastgenaaide bolero. Reformkleding is niet aangeslagen bij het grote publiek en is zelfs belachelijk gemaakt. Het verschil met het bestaande modebeeld is dan ook enorm groot. De reformjapon wordt spottend "hobbezak" genoemd. De spotprent toont het Concertgebouw met dames in de nieuwe reformjaponnen tegenover dames in de modieuze japonnen met S-lijn staan. De afgebeelde personen zijn allemaal bekenden uit het Amsterdamse artistieke milieu. In de muziekwereld is de reformjapon populair, vooral concertzangeressen dragen haar graag bij optredens, omdat de japonnen los om het lichaam zaten.ns3:AHMTextsAuthor
_:De portkaraf behoort tot het glasservies J dat De Bazel voor Glasfabriek Leerdam ontwierp in een gladde en een geslepen uitvoering. De karaf heeft de omgekeerde vorm van de glazen. Het etsstempel verwijst naar een latere productie.ns3:AHMTextsAuthor
_:De verzameling van het museum telt slechts enkele complete mannenpakken, maar meer achttiende-eeuwse herenvesten. Mannenkleding is vermoedelijk langer doorgedragen en dus eerder opgedragen, ook onder heren uit de hoge standen. Bovendien leende de daagse kleding zich heel goed voor de tweedehands markt. Het mannenkostuum bestaat in de achttiende eeuw uit een jas met bijpassende kniebroek en een in kleur contrasterend vest. De vroegste vesten zijn lang (net als de jas tot op de knie) en slank met een lange rij knopen. Geleidelijk veranderen de vesten van model. Rond 1770 zijn de voorpanden van de vesten ronder weggesneden en korter, totdat het meer rechthoekig weggesneden pand in de jaren zeventig modieus wordt. De halzen zijn in eerste instantie rond en laag, maar krijgen rond 1780 een boord. Deze worden steeds hoger, tot ongeveer zeven centimeter rond 1800. Van achteren worden de vesten doorgaans met een veter bijeengehouden, zodat het vest mooi strak om het lichaam past. De zijden vesten zijn tot in detail versierd met de prachtigste borduursels in de mooiste kleuren en patronen. Ook de knopen zijn rijkelijk versierd. Deze zijn in sommige gevallen nog kostbaarder dan het hele vest. Zelfs het kostbare zilver- of gouddraad is toegepast. De prijs van een kostuum werd verveelvoudigd door het gebruik van dit soort materialen. In de periode rond de Franse Revolutie verdwijnen alle versieringen op het pak. Het pak is dan meestal donker van kleur, met een contrasterend licht vest dat vrij eenvoudig versierd is.ns3:AHMTextsAuthor
_:De verzameling van het museum telt slechts enkele complete mannenpakken, maar meer achttiende-eeuwse herenvesten. Mannenkleding is vermoedelijk langer doorgedragen en dus eerder opgedragen, ook onder heren uit de hoge standen. Bovendien leende de daagse kleding zich heel goed voor de tweedehands markt. Het mannenkostuum bestaat in de achttiende eeuw uit een jas met bijpassende kniebroek en een in kleur contrasterend vest. De vroegste vesten zijn lang (net als de jas tot op de knie) en slank met een lange rij knopen. Geleidelijk veranderen de vesten van model. Rond 1770 zijn de voorpanden van de vesten ronder weggesneden en korter, totdat het meer rechthoekig weggesneden pand in de jaren zeventig modieus wordt. De halzen zijn in eerste instantie rond en laag, maar krijgen rond 1780 een boord. Deze worden steeds hoger, tot ongeveer zeven centimeter rond 1800. Van achteren worden de vesten doorgaans met een veter bijeengehouden, zodat het vest mooi strak om het lichaam past. De zijden vesten zijn tot in detail versierd met de prachtigste borduursels in de mooiste kleuren en patronen. Ook de knopen zijn rijkelijk versierd. Deze zijn in sommige gevallen nog kostbaarder dan het hele vest. Zelfs het kostbare zilver- of gouddraad is toegepast. De prijs van een kostuum werd verveelvoudigd door het gebruik van dit soort materialen. In de periode rond de Franse Revolutie verdwijnen alle versieringen op het pak. Het pak is dan meestal donker van kleur, met een contrasterend licht vest dat vrij eenvoudig versierd is.ns3:AHMTextsAuthor
_:De verzameling van het museum telt slechts enkele complete mannenpakken, maar meer achttiende-eeuwse herenvesten. Mannenkleding is vermoedelijk langer doorgedragen en dus eerder opgedragen, ook onder heren uit de hoge standen. Bovendien leende de daagse kleding zich heel goed voor de tweedehands markt. Het mannenkostuum bestaat in de achttiende eeuw uit een jas met bijpassende kniebroek en een in kleur contrasterend vest. De vroegste vesten zijn lang (net als de jas tot op de knie) en slank met een lange rij knopen. Geleidelijk veranderen de vesten van model. Rond 1770 zijn de voorpanden van de vesten ronder weggesneden en korter, totdat het meer rechthoekig weggesneden pand in de jaren zeventig modieus wordt. De halzen zijn in eerste instantie rond en laag, maar krijgen rond 1780 een boord. Deze worden steeds hoger, tot ongeveer zeven centimeter rond 1800. Van achteren worden de vesten doorgaans met een veter bijeengehouden, zodat het vest mooi strak om het lichaam past. De zijden vesten zijn tot in detail versierd met de prachtigste borduursels in de mooiste kleuren en patronen. Ook de knopen zijn rijkelijk versierd. Deze zijn in sommige gevallen nog kostbaarder dan het hele vest. Zelfs het kostbare zilver- of gouddraad is toegepast. De prijs van een kostuum werd verveelvoudigd door het gebruik van dit soort materialen. In de periode rond de Franse Revolutie verdwijnen alle versieringen op het pak. Het pak is dan meestal donker van kleur, met een contrasterend licht vest dat vrij eenvoudig versierd is.ns3:AHMTextsAuthor
_:De verzameling van het museum telt slechts enkele complete mannenpakken, maar meer achttiende-eeuwse herenvesten. Mannenkleding is vermoedelijk langer doorgedragen en dus eerder opgedragen, ook onder heren uit de hoge standen. Bovendien leende de daagse kleding zich heel goed voor de tweedehands markt. Het mannenkostuum bestaat in de achttiende eeuw uit een jas met bijpassende kniebroek en een in kleur contrasterend vest. De vroegste vesten zijn lang (net als de jas tot op de knie) en slank met een lange rij knopen. Geleidelijk veranderen de vesten van model. Rond 1770 zijn de voorpanden van de vesten ronder weggesneden en korter, totdat het meer rechthoekig weggesneden pand in de jaren zeventig modieus wordt. De halzen zijn in eerste instantie rond en laag, maar krijgen rond 1780 een boord. Deze worden steeds hoger, tot ongeveer zeven centimeter rond 1800. Van achteren worden de vesten doorgaans met een veter bijeengehouden, zodat het vest mooi strak om het lichaam past. De zijden vesten zijn tot in detail versierd met de prachtigste borduursels in de mooiste kleuren en patronen. Ook de knopen zijn rijkelijk versierd. Deze zijn in sommige gevallen nog kostbaarder dan het hele vest. Zelfs het kostbare zilver- of gouddraad is toegepast. De prijs van een kostuum werd verveelvoudigd door het gebruik van dit soort materialen. In de periode rond de Franse Revolutie verdwijnen alle versieringen op het pak. Het pak is dan meestal donker van kleur, met een contrasterend licht vest dat vrij eenvoudig versierd is.ns3:AHMTextsAuthor
_:De verzameling van het museum telt slechts enkele complete mannenpakken, maar meer achttiende-eeuwse herenvesten. Mannenkleding is vermoedelijk langer doorgedragen en dus eerder opgedragen, ook onder heren uit de hoge standen. Bovendien leende de daagse kleding zich heel goed voor de tweedehands markt. Het mannenkostuum bestaat in de achttiende eeuw uit een jas met bijpassende kniebroek en een in kleur contrasterend vest. De vroegste vesten zijn lang (net als de jas tot op de knie) en slank met een lange rij knopen. Geleidelijk veranderen de vesten van model. Rond 1770 zijn de voorpanden van de vesten ronder weggesneden en korter, totdat het meer rechthoekig weggesneden pand in de jaren zeventig modieus wordt. De halzen zijn in eerste instantie rond en laag, maar krijgen rond 1780 een boord. Deze worden steeds hoger, tot ongeveer zeven centimeter rond 1800. Van achteren worden de vesten doorgaans met een veter bijeengehouden, zodat het vest mooi strak om het lichaam past. De zijden vesten zijn tot in detail versierd met de prachtigste borduursels in de mooiste kleuren en patronen. Ook de knopen zijn rijkelijk versierd. Deze zijn in sommige gevallen nog kostbaarder dan het hele vest. Zelfs het kostbare zilver- of gouddraad is toegepast. De prijs van een kostuum werd verveelvoudigd door het gebruik van dit soort materialen. In de periode rond de Franse Revolutie verdwijnen alle versieringen op het pak. Het pak is dan meestal donker van kleur, met een contrasterend licht vest dat vrij eenvoudig versierd is.ns3:AHMTextsAuthor
_:De wijnkaraf behoort tot het glasservies J, dat De Bazel voor Glasfabriek Leerdam ontwierp in een gladde en een geslepen uitvoering. De karaf heeft de omgekeerde vorm van de glazen. Het etsstempel verwijst naar een latere productie.ns3:AHMTextsAuthor
_:De zilveren lovertjes en kleine glazen ornamenten hebben betrekking op huwelijk, trouw en gezinsleven. De letters B S P staan voor de initialen van de bruid (Brigitta Stuyling) en de bruidegom (Petrus Schaak). Twee ineengeslagen handen met brandende fakkel symboliseren huwelijkse trouw en twee tortelende duifjes de liefde. Drie muzikantjes (trommelslager, fluitspeler, doedelzakspeler) en drie vrouwenfiguren verwijzen mogelijk naar het huwelijksfeest. Bloemen, dieren, vruchten en vogels verbeelden de vruchtbaarheid. Baby in wieg, flesje, luiermand en papkommetje duidden op het nageslacht. Het bruidskroontje is vervaardigd ter gelegenheid van het huwelijk van hervormd predikant en geleerde Petrus Schaak (1633-1708) en Brigitta Stuyling (1645-1723) in 1667 te Alkmaar. In hetzelfde jaar werd Schaak predikant in Amsterdam. Brigitta's kroontje is versierd met zeer kleine glazen figuurtjes. Dergelijke ornamenten werden in de zeventiende eeuw in grote getalen in Veneti‰ en andere Europese glascentra voor de lamp vervaardigd. In de Noordelijke Nederlanden golden ze als een specialiteit van Amsterdam. Van de bruidskroontjes die er moeten zijn geweest is dit - voor zover bekend - het enige min of meer compleet gebleven exemplaar.ns3:AHMTextsAuthor
_:Deksel vermoedelijk niet bijbehorend.ns3:AHMTextsAuthor
_:Deze onderrok doet in kwaliteit niet onder voor luxe bovenkleding. De luxere onderrokken zijn versierd met borduursels en stiksels. Van de rok mocht een glimp worden opgevangen zodra de bovenrok een stukje werd opgetild, bijvoorbeeld bij het instappen in de koets. In de zeventiende eeuw bestaat al het gebruik om japonrokken terug te slaan om ze schoon te houden. De onderrok, meestal van gekleurd materiaal is dan zichtbaar. Daarnaast worden de luxe onderrokken in huis ook als bovenrok gedragen met een jak als eenvoudige huisdracht. Deze onderrok is bewerkt met verfijnd Zaans stikwerk. Op twee lagen stof worden met een hand-stiksteek figuren op de stof aangebracht. Door de gevormde tunneltjes wordt een draad geregen, waardoor de stof reliëf krijgt. Bijzonder aan deze rok is de originele vorm waarin ze bewaard is gebleven. Dergelijke stukken zijn veelal verknipt en vermaakt, want dit goed wasbare materiaal leende zich voor onder andere babydekentjes. Het model is typerend voor de achttiende eeuw. De plooien zijn met een band in de taille afgewerkt, en de rok heeft twee zijsplitten. Alleen de gegoede burgerij kan het zich veroorloven om in deze techniek iets te laten maken.Vele van de bewaard gebleven stukken komen uit de Zaanstreek, het belangrijkste industriegebied in Nederland in de zeventiende en achttiende eeuw. Daarom heeft dit type naaiwerk in de negentiende eeuw de naam “Zaans stikwerk” gekregen, maar het is vooral in Zuid Frankrijk veel gemaakt. Na 1775 raakt het als decoratietechniek uit de mode, deze vraagt dan om steeds soepeler stoffen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Deze opvallende gele japon van fluweel en afgezet met struisvogelveren is van Marie Van Someren Brand-Zoethout (1866-1897) geweest. Zij was de echtgenote van de eerste conservator van het Stedelijk Museum, Jan Eduard Van Someren Brand (1856-1904). In 1895 heeft de schilder Hobbe Smith (1862-1942) een portret ten voete uit (2,22 x 1,25 meter!) van Marie gemaakt, waarop zij de baljapon draagt. Hier heeft de japon kleine pofmouwtjes, terwijl in de huidige staat een band met struisvogelveren op de schouders rust die de schouders grotendeels bloot laten. De kleine aanpassing wijst erop dat de japon is vermaakt en meerdere keren is gedragen.Voor welke bijzondere gelegenheid de japon is gemaakt is onbekend. Enig houvast biedt het schilderij, dat gesigneerd en gedateerd (1895) is. In 1895 zijn er twee belangrijke gebeurtenissen in het leven van Marie en Jan Eduard: zij trouwen en het Stedelijk Museum opent haar deuren. Mogelijk heeft Marie de japon voor één van deze (of beide) gebeurtenissen gedragen. Slechts twee jaar nadat zij zich liet portretteren, overlijdt Marie Zoethout in 1897 op slechts 31-jarige leeftijd, kinderloos. Van Someren-Brand hertrouwt jaren later met haar zuster Barendina Pieternella Zoethout (1872-1959). De japon is in 1940 door haar aan het Stedelijk Museum geschonken. De japon is na de splitsing van de Dienst Gemeentemusea in het Stedelijk Museum en het Amsterdams Historisch Museum in 1985 in de collectie van de laatstgenoemde terecht gekomen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Deze sitsen japon is een van de interessantste stukken uit de kostuumverzameling. De japon is ongeveer vijfentwintig jaar na haar ontstaan aan de heersende mode aangepast. Bijzonder is de stof die met de hand ‘in patroon’ beschilderd. Bij de beschildering van de stof is rekening gehouden met de patroondelen en versieringen van de japon. Doorgaans werd de stof per meter beschilderd. De huidige staat - met de lage ronde halslijn, de lange mouw en de verhoogde taille – is uit circa 1795-1800 en is zeer modieus voor de tijd. De stof is voor die periode echter ouderwets en dateert uit circa 1770. Een slingermotief aan de binnenzijde en op het achterpand van de onderrok verwijst naar versiering op een robe à la française-japon uit de periode 1760-’80. De oorspronkelijk weldadige versieringen zijn weggewerkt om de japon aan te passen aan de meer eenvoudige, soepel vallende mode. De oorspronkelijke pli Watteau is verdwenen en in plaats hiervoor is een aansluitend lijfje en een simpele soepel vallende rok gekomen.* De herkomst van de japon roept veel vragen op. Vermoedelijk behoorde de japon tot de Sophia Augusta Stichting die voortvloeide uit het legaat van mevrouw Sophia Augusta Lopez Suasso-de Bruijn (1816-1890). De sitsen japon is echter niet terug te vinden in lijsten die mevrouw Suasso heeft opgesteld van kledingstukken die bewaard moesten blijven. Bedoeling was via aankopen en schenkingen de kostuums uit deze stichting aan te vullen. Mogelijk is de sitsen japon door een Amsterdamse schenking aan de verzameling toegevoegd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Deze sitsen japon is een van de interessantste stukken uit de kostuumverzameling. De japon is ongeveer vijfentwintig jaar na haar ontstaan aan de heersende mode aangepast. Bijzonder is de stof die met de hand ‘in patroon’ beschilderd. Bij de beschildering van de stof is rekening gehouden met de patroondelen en versieringen van de japon. Doorgaans werd de stof per meter beschilderd. De huidige staat - met de lage ronde halslijn, de lange mouw en de verhoogde taille – is uit circa 1795-1800 en is zeer modieus voor de tijd. De stof is voor die periode echter ouderwets en dateert uit circa 1770. Een slingermotief aan de binnenzijde en op het achterpand van de onderrok verwijst naar versiering op een robe à la française-japon uit de periode 1760-’80. De oorspronkelijk weldadige versieringen zijn weggewerkt om de japon aan te passen aan de meer eenvoudige, soepel vallende mode. De oorspronkelijke pli Watteau is verdwenen en in plaats hiervoor is een aansluitend lijfje en een simpele soepel vallende rok gekomen.* De herkomst van de japon roept veel vragen op. Vermoedelijk behoorde de japon tot de Sophia Augusta Stichting die voortvloeide uit het legaat van mevrouw Sophia Augusta Lopez Suasso-de Bruijn (1816-1890). De sitsen japon is echter niet terug te vinden in lijsten die mevrouw Suasso heeft opgesteld van kledingstukken die bewaard moesten blijven. Bedoeling was via aankopen en schenkingen de kostuums uit deze stichting aan te vullen. Mogelijk is de sitsen japon door een Amsterdamse schenking aan de verzameling toegevoegd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Deze zomerse, informele japon - waarbij de geborduurde randen rekening is gehouden met het model van de japon- is met vele andere kostuums afkomstig uit de nalatenschap van Shopia Augusta Lopez Suasso-de Bruijn ( 1816-1890). Na haar overlijden liet zij haar verzameling kunstnijverheid én veel kleding na aan de stad Amsterdam. De verzameling vormde aanleiding tot de oprichting van het Stedelijk Museum in 1895. In een schriftje beschreef mevrouw Suasso de kleding die bewaard moest blijven. De lijst bestaat uit ongeveer zeventig dames en heren kledingstukken, Vijfendertig hoeden, tachtig paar schoenen en tweehonderdvijftig accessoires. Slechts een deel van de in het schriftje vermelde kostuums is terug te vinden in de museumcollectie. Gemeentearchivaris Nicolaas de Roever beschrijft na haar overlijden de boedel. ' Mocht het er van komen', zo meldt De Roever, ' kan met deze kledingstukken [...] een overzicht van de mode in de laatste dertig jaren [ dus 1860-1890]' worden gegeven. Hij vindt het spijtig dat zich onder de kledingstukken geen 'rijkere toiletten' bevinden en suggereert 'uitbreiding door aankoop'. Dit laatste is er nooit van gekomen, maar vermoedelijk zijn verschillende kostuums door schenkingen aan de Suasso verzameling toegevoegd. In 1919 hield het Stedelijk Museum een ' Historische tentoonstelling van de ontwikkeling der kleeding over de laatste twee eeuwen'. De kostuumverzameling van mevrouw Suasso vormde de kern. De kleding is vervolgens in het Stedelijk Museum ondergebracht en verhuisde in 1985 - na splitsing van de dienst Gemeentemusea in een apart Stedelijk Museum en het Amsterdams Historisch Museum- naar de verzameling van het amsterdams Historisch Museum.ns3:AHMTextsAuthor
_:Deze zomerse, informele japon - waarbij de geborduurde randen rekening is gehouden met het model van de japon- is met vele andere kostuums afkomstig uit de nalatenschap van Shopia Augusta Lopez Suasso-de Bruijn ( 1816-1890). Na haar overlijden liet zij haar verzameling kunstnijverheid én veel kleding na aan de stad Amsterdam. De verzameling vormde aanleiding tot de oprichting van het Stedelijk Museum in 1895. In een schriftje beschreef mevrouw Suasso de kleding die bewaard moest blijven. De lijst bestaat uit ongeveer zeventig dames en heren kledingstukken, Vijfendertig hoeden, tachtig paar schoenen en tweehonderdvijftig accessoires. Slechts een deel van de in het schriftje vermelde kostuums is terug te vinden in de museumcollectie. Gemeentearchivaris Nicolaas de Roever beschrijft na haar overlijden de boedel. ' Mocht het er van komen', zo meldt De Roever, ' kan met deze kledingstukken [...] een overzicht van de mode in de laatste dertig jaren [ dus 1860-1890]' worden gegeven. Hij vindt het spijtig dat zich onder de kledingstukken geen 'rijkere toiletten' bevinden en suggereert 'uitbreiding door aankoop'. Dit laatste is er nooit van gekomen, maar vermoedelijk zijn verschillende kostuums door schenkingen aan de Suasso verzameling toegevoegd. In 1919 hield het Stedelijk Museum een ' Historische tentoonstelling van de ontwikkeling der kleeding over de laatste twee eeuwen'. De kostuumverzameling van mevrouw Suasso vormde de kern. De kleding is vervolgens in het Stedelijk Museum ondergebracht en verhuisde in 1985 - na splitsing van de dienst Gemeentemusea in een apart Stedelijk Museum en het Amsterdams Historisch Museum- naar de verzameling van het amsterdams Historisch Museum.ns3:AHMTextsAuthor
_:Deze zomerse, informele japon - waarbij de geborduurde randen rekening is gehouden met het model van de japon- is met vele andere kostuums afkomstig uit de nalatenschap van Shopia Augusta Lopez Suasso-de Bruijn ( 1816-1890). Na haar overlijden liet zij haar verzameling kunstnijverheid én veel kleding na aan de stad Amsterdam. De verzameling vormde aanleiding tot de oprichting van het Stedelijk Museum in 1895. In een schriftje beschreef mevrouw Suasso de kleding die bewaard moest blijven. De lijst bestaat uit ongeveer zeventig dames en heren kledingstukken, Vijfendertig hoeden, tachtig paar schoenen en tweehonderdvijftig accessoires. Slechts een deel van de in het schriftje vermelde kostuums is terug te vinden in de museumcollectie. Gemeentearchivaris Nicolaas de Roever beschrijft na haar overlijden de boedel. ' Mocht het er van komen', zo meldt De Roever, ' kan met deze kledingstukken [...] een overzicht van de mode in de laatste dertig jaren [ dus 1860-1890]' worden gegeven. Hij vindt het spijtig dat zich onder de kledingstukken geen 'rijkere toiletten' bevinden en suggereert 'uitbreiding door aankoop'. Dit laatste is er nooit van gekomen, maar vermoedelijk zijn verschillende kostuums door schenkingen aan de Suasso verzameling toegevoegd. In 1919 hield het Stedelijk Museum een ' Historische tentoonstelling van de ontwikkeling der kleeding over de laatste twee eeuwen'. De kostuumverzameling van mevrouw Suasso vormde de kern. De kleding is vervolgens in het Stedelijk Museum ondergebracht en verhuisde in 1985 - na splitsing van de dienst Gemeentemusea in een apart Stedelijk Museum en het Amsterdams Historisch Museum- naar de verzameling van het amsterdams Historisch Museum.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit jongenspakje uit de tweede helft van de achttiende eeuw - voor een ongeveer vierjarige - is een kopie van de kleding van volwassen mannen. Kinderen werden gekleed als miniatuurvolwassenen. Mede onder invloed van het gedachtegoed van filosofen als Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) kwam daar in de late achttiende eeuw verandering in, althans in de hogere kringen. Toen pas werd een kind gezien als onschuldig individu met een geheel eigen, te respecteren leefwereld. Het duurde tot de late negentiende eeuw tot deze nieuwe ideeën gemeengoed werden bij een breder publiek. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw tot ver in de achttiende eeuw wordt door zowel meisjes als jongens in hun kleutertijd een tot de grond reikende jurk gedragen. Jongetjes worden hierna gekleed in het volwassen mannenkostuum: een driedelig pak bestaande uit jas, vest en kniebroek. Ook de schoenen zijn kopieën van mannenschoenen. Het kostbare vestje van dit jongenspakje is van wit neteldoek dat met gouddraad is geborduurd met ruiten en bloemenmotieven. Er zitten brokaten knoopjes op. In 1791 publiceert het modetijdschrift Kabinet voor mode en smaak een opmerkelijk artikel over kinderkleding. Hierin wordt de mening van een Duitse arts aangehaald die zijn afkeuring uitspreekt over ‘de te vroege aanprikkeling der natuurdrift’ die hij voornamelijk aan de broeierige jongenskleding wijt. Vooral de broeken – bedoeld zijn kniebroeken met dichtgebonden pijpen – acht hij ‘te zeer verhittend’. De auteur van het artikel erkent het gesignaleerde gevaar en als alternatief stelt hij een matrozenpak voor (de nieuwste mode) met een wijde en luchtige broek.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit jongenspakje uit de tweede helft van de achttiende eeuw - voor een ongeveer vierjarige - is een kopie van de kleding van volwassen mannen. Kinderen werden gekleed als miniatuurvolwassenen. Mede onder invloed van het gedachtegoed van filosofen als Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) kwam daar in de late achttiende eeuw verandering in, althans in de hogere kringen. Toen pas werd een kind gezien als onschuldig individu met een geheel eigen, te respecteren leefwereld. Het duurde tot de late negentiende eeuw tot deze nieuwe ideeën gemeengoed werden bij een breder publiek. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw tot ver in de achttiende eeuw wordt door zowel meisjes als jongens in hun kleutertijd een tot de grond reikende jurk gedragen. Jongetjes worden hierna gekleed in het volwassen mannenkostuum: een driedelig pak bestaande uit jas, vest en kniebroek. Ook de schoenen zijn kopieën van mannenschoenen. Het kostbare vestje van dit jongenspakje is van wit neteldoek dat met gouddraad is geborduurd met ruiten en bloemenmotieven. Er zitten brokaten knoopjes op. In 1791 publiceert het modetijdschrift Kabinet voor mode en smaak een opmerkelijk artikel over kinderkleding. Hierin wordt de mening van een Duitse arts aangehaald die zijn afkeuring uitspreekt over ‘de te vroege aanprikkeling der natuurdrift’ die hij voornamelijk aan de broeierige jongenskleding wijt. Vooral de broeken – bedoeld zijn kniebroeken met dichtgebonden pijpen – acht hij ‘te zeer verhittend’. De auteur van het artikel erkent het gesignaleerde gevaar en als alternatief stelt hij een matrozenpak voor (de nieuwste mode) met een wijde en luchtige broek.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit jongenspakje uit de tweede helft van de achttiende eeuw - voor een ongeveer vierjarige - is een kopie van de kleding van volwassen mannen. Kinderen werden gekleed als miniatuurvolwassenen. Mede onder invloed van het gedachtegoed van filosofen als Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) kwam daar in de late achttiende eeuw verandering in, althans in de hogere kringen. Toen pas werd een kind gezien als onschuldig individu met een geheel eigen, te respecteren leefwereld. Het duurde tot de late negentiende eeuw tot deze nieuwe ideeën gemeengoed werden bij een breder publiek. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw tot ver in de achttiende eeuw wordt door zowel meisjes als jongens in hun kleutertijd een tot de grond reikende jurk gedragen. Jongetjes worden hierna gekleed in het volwassen mannenkostuum: een driedelig pak bestaande uit jas, vest en kniebroek. Ook de schoenen zijn kopieën van mannenschoenen. Het kostbare vestje van dit jongenspakje is van wit neteldoek dat met gouddraad is geborduurd met ruiten en bloemenmotieven. Er zitten brokaten knoopjes op. In 1791 publiceert het modetijdschrift Kabinet voor mode en smaak een opmerkelijk artikel over kinderkleding. Hierin wordt de mening van een Duitse arts aangehaald die zijn afkeuring uitspreekt over ‘de te vroege aanprikkeling der natuurdrift’ die hij voornamelijk aan de broeierige jongenskleding wijt. Vooral de broeken – bedoeld zijn kniebroeken met dichtgebonden pijpen – acht hij ‘te zeer verhittend’. De auteur van het artikel erkent het gesignaleerde gevaar en als alternatief stelt hij een matrozenpak voor (de nieuwste mode) met een wijde en luchtige broek.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type bekerglas werd gebruikt voor het drinken van bier.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt ook wel 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt ook wel 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type fles wordt ook wel 'staande kraag fles' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type glas wordt ook wel 'double-nez' genoemd; door de tweezijdig ingevouwen kelkrand kunnen twee personen uit het glas drinken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type glas wordt ook wel 'wijnproefglas' genoemd. Er kon door de ingevouwen kelkrand door meer dan ‚‚n persoon uit gedronken worden. De geledingen dienden om het depot van de wijn te laten bezinken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type glas wordt vanwege de vorm van de kelk ook wel vleermuisglas genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Dit type wijnfles wordt 'kattenkop' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Door de wijze van beschildering (wit email op gekleurd glas) en het onderwerp (spelende kinderen) behoort de karaf tot het zogeheten Gregory-glaswerk. Mary Alice Gregory (1856-1908) werkte in de jaren tachtig van de negentiende eeuw een aantal jaren als decoratieschilderes bij de Boston & Sandwich Glass Compagnie in de Verenigde Staten. Feiten over het leven en werk van Gregory stemmen echter niet overeen met de massale productie van het naar haar genoemde glas, dat tot ver in de twintigste eeuw in grote hoeveelheden in Bohemen is vervaardigd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Drinkuit in de vorm van een tafelbel, Duc d'Alfs Uitluiding genoemd. De naam heeft betrekking op de plechtige afzwering van Filips II als vorst der Nederlanden door de Staten-Generaal te Utrecht in 1581. Bij het feestbanket dat ter ere van deze gebeurtenis werd gegeven klonk men met 'glaze klokjes' op de voorspoed van de nieuwe Republiek. Tevens luidde men op deze wijze de Spanjaarden (in de persoon van de gehate hertog van Alva) uit.ns3:AHMTextsAuthor
_:Een identiek object (aangeduid als olielamp) is afgebeeld in : Barovier Mentasti 1982, p. 117 afb. 103 (links). Zie voor een soortgelijk exemplaar met verwijzingen naar voorbeelden in anderen collecties: Ritsema van Eck/Zijlstra-Zweens 1993, p. 105 nr 146 afb.ns3:AHMTextsAuthor
_:Een identieke (gemer)coupe met dezelfde herkomst is in Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam (inv. nr V3.1-1870). In het Österreichisches Museum für Angewandte Kunst te Wenen bevindt zich een achtkantig gefacetteerd, uit 1915 daterend exemplaar, vervaardigd in de glasfabriek van Josef Gerner. Deze toonaangevende glasslijper in Haida (Novy Bor), was een belangrijk producent van de vroege ontwerpen van Gerard Muller. Later geslepen coupes zijn in de Belgische glasfabriek Cristalleries du Val-Saint-Lambert uitgevoerd ( Neuwirth 1985, p. 141 nr 126 afb.).ns3:AHMTextsAuthor
_:Een soortgelijk glas bevindt zich in het Badisches Landesmuseum te Karlsruhe (geen inv.nr).ns3:AHMTextsAuthor
_:Frankrijk blijft de mode aangeven, maar vanaf het derde kwart van de achttiende eeuw volgt het vaste land van Europa steeds meer de Engelse mode. Rond 1775 maken de japonnen met paniers plaats voor de robe à l’anglaise. De japon heeft een getailleerd lijfje, een wijde rok, halve of lange strakke mouwen en wordt gedragen met een batisten of fijn linnen halsdoek, de fichu. Bij de robe à l’anglaise zijn de plooien op de rug in een diepe punt vastgezet. In Nederland worden de robe à l’anglaise en de robe à la française naast elkaar gedragen. De getoonde japon is in de huidige vorm te dateren rond 1780. De stof is twintig jaar eerder te dateren, wat er op wijst dat deze japon aan een latere mode is aangepast.ns3:AHMTextsAuthor
_:Galapak, habit à la française, ca. 1800 fluweel met zilverdraad, zijde, pailletten (jas); zijde met linnen gevoerd (broek); satijn met zilverdraad en pailletten, linnen en satijnen voering (vest) Aankoop Firma J. Leeger, Amsterdam, 1965 (jas); schenking uit particulier bezit, 1972 (broek); herkomst onbekend (vest) KA 12637 (jas), 14810 (broek), 7764 (vest) Het driedelige mannenpak - dat door de engelse koning Charles II in 1666 is geïntroduceerd – wordt voor het eerst vanaf 1678 in Franse kostuumprenten overgenomen. Het ondergaat vervolgens een aantal aanpassingen in stof en versiering en wordt habit à la française genoemd. Het geborduurde habit (rokjas) krijgt als galapak rond 1690 de vorm die het in grote trekken in de achttiende eeuw zou behouden. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw wordt het mannenkostuum soberder en donkerder van kleur. Versieringen beperken zich tot de randen van jas en kraag. De vesten blijven wel uitbundig versierd. Rond 1780 zijn er vele stoffen met ingeweven motieven. Dit pak is een voorbeeld van de galakleding die aan het hof is gedragen. De stof is donkerbruin fluweel met ingeweven, lichtblauwe satijnen blokjes. De lange jas is volgens de mode aan de voorpanden schuin weggesneden en heeft een hoogstaande boord. Vanaf ongeveer 1780-’90 groeit de staande boord tot de nek, de periode hiervoor is het slechts een klein staand boordje. De mouwen zijn strak met brede manchetten. De brede randen van de jas zijn versierd met borduursel. Een enkele man waagt zich gedurende de gehele achttiende en een deel van de negentiende eeuw aan korsetten en kuitvullingen voor onder de kleding. Daarentegen is het dragen van gepoederde pruiken, zeker in Nederland, tot ca. 1790 heel gewoon. Uiteindelijk laten de heren hun eigen haar lang groeien en wordt de pruik alleen nog gedragen door oudere of ouderwetse heren.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het deksel was voorheen geplaatst op beker KA 5199 (Liefkes 1988, p. 238 afb. 8a).ns3:AHMTextsAuthor
_:Het driedelige mannenpak - dat door de Engelse koning Charles II in 1666 is geïntroduceerd – wordt voor het eerst vanaf 1678 in Franse kostuumprenten overgenomen. Het ondergaat vervolgens een aantal aanpassingen in stof en versiering en wordt habit à la française genoemd. Het geborduurde habit (rokjas) krijgt als galapak rond 1690 de vorm die het in grote trekken in de achttiende eeuw zou behouden. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw wordt het mannenkostuum soberder en donkerder van kleur. Versieringen beperken zich tot de randen van jas en kraag. De vesten blijven wel uitbundig versierd. Rond 1780 zijn er vele stoffen met ingeweven motieven. Dit pak is een voorbeeld van de galakleding die aan het hof is gedragen. De stof is donkerbruin fluweel met ingeweven, lichtblauwe satijnen blokjes. De lange jas is volgens de mode aan de voorpanden schuin weggesneden en heeft een hoogstaande boord. Vanaf ongeveer 1780-’90 groeit de staande boord tot de nek, de periode hiervoor is het slechts een klein staand boordje. De mouwen zijn strak met brede manchetten. De brede randen van de jas zijn versierd met borduursel. Een enkele man waagt zich gedurende de gehele achttiende en een deel van de negentiende eeuw aan korsetten en kuitvullingen voor onder de kleding. Daarentegen is het dragen van gepoederde pruiken, zeker in Nederland, tot ca. 1790 heel gewoon. Uiteindelijk laten de heren hun eigen haar lang groeien en wordt de pruik alleen nog gedragen door oudere of ouderwetse heren.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het driedelige mannenpak - dat door de engelse koning Charles II in 1666 is geïntroduceerd – wordt voor het eerst vanaf 1678 in Franse kostuumprenten overgenomen. Het ondergaat vervolgens een aantal aanpassingen in stof en versiering en wordt habit à la française genoemd. Het geborduurde habit (rokjas) krijgt als galapak rond 1690 de vorm die het in grote trekken in de achttiende eeuw zou behouden. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw wordt het mannenkostuum soberder en donkerder van kleur. Versieringen beperken zich tot de randen van jas en kraag. De vesten blijven wel uitbundig versierd. Rond 1780 zijn er vele stoffen met ingeweven motieven. Dit pak is een voorbeeld van de galakleding die aan het hof is gedragen. De stof is donkerbruin fluweel met ingeweven, lichtblauwe satijnen blokjes. De lange jas is volgens de mode aan de voorpanden schuin weggesneden en heeft een hoogstaande boord. Vanaf ongeveer 1780-’90 groeit de staande boord tot de nek, de periode hiervoor is het slechts een klein staand boordje. De mouwen zijn strak met brede manchetten. De brede randen van de jas zijn versierd met borduursel. Een enkele man waagt zich gedurende de gehele achttiende en een deel van de negentiende eeuw aan korsetten en kuitvullingen voor onder de kleding. Daarentegen is het dragen van gepoederde pruiken, zeker in Nederland, tot ca. 1790 heel gewoon. Uiteindelijk laten de heren hun eigen haar lang groeien en wordt de pruik alleen nog gedragen door oudere of ouderwetse heren.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het drinkglas is een waterglas uit servies nr 151/152.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het flesje is een bodemvondst afkomstig van het Waterlooplein en is aangeboden aan burgemeester drs. E. van Thijn ter gelegenheid van de voltooiing van het dak van het nieuwe stadhuis van Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het flesje is gevonden in de funderingen van de Beurs van Zocher.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het glas diende vermoedelijk als etalagefles in een winkel.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het glas diende voor het drinken van bier. In de zeventiende eeuw was Amsterdam een belangrijk productiecentrum van dit soort grote vetro a fili bekers. Fragmenten van dergelijke bandbekers zijn bij verschillende opgravingen in de Amsterdamse bodem (en elders) aan het licht gekomen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het glas is voor de lamp geblazen van een geribbelde glasbuis (voet en stam) en een gladde glasbuis (kelk). In techniek, vorm en detail zijn dergelijke fluitglazen duidelijk eigentijdse producten. Desondanks zijn ook deze glazen als 'orgineel Venetiaans' in de handel terecht gekomen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het glas is voor de lamp geblazen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het glas is voor de lamp geblazen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het glas is voor de lamp geblazen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het glashuis G. & A. Muller was vanaf het midden van de achttiende eeuw tot de sluiting in 1978 gevestigd aan het Rokin, hoek Morensteegje, in Amsterdam. Kristal van deze gerenomeerde zaak was vooral in de eerste helft van deze eeuw een begrip. Gerard Muller ontwierp op het gevoel en op het oog: dit in tegenstelling tot de ontwerppraktijk bij de Glasfabriek Leerdam, die op meer mathematische en theoretische grondslag was gebaseerd. De vormgeving van Mullers modellen was strak, eenvoudig en gericht op optimale bruikbaarheid. De Amsterdamse kristalhandelaar liet zijn ontwerpen in toonaangevende glasblazerijen in Bohemen (Gräflich Schaffgotsch'sche Josephinenhütte) en België (Cristalleries du Val-Saint-Lambert) uitvoeren.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het glashuis G. & A. Muller was vanaf het midden van de achttiende eeuw tot de sluiting in 1978 gevestigd aan het Rokin, hoek Morensteegje, in Amsterdam. Kristal van deze gerenomeerde zaak was vooral in de eerste helft van deze eeuw een begrip. Gerard Muller ontwierp op het gevoel en op het oog: dit in tegenstelling tot de ontwerppraktijk bij de Glasfabriek Leerdam, die op meer mathematische en theoretische grondslag was gebaseerd. De vormgeving van Mullers modellen was strak, eenvoudig en gericht op optimale bruikbaarheid. De Amsterdamse kristalhandelaar liet zijn ontwerpen in toonaangevende glasblazerijen in Bohemen (Gräflich Schaffgotsch'sche Josephinenhütte) en België (Cristalleries du Val-Saint-Lambert) uitvoeren.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het glashuis G. & A. Muller was vanaf het midden van de achttiende eeuw tot de sluiting in 1978 gevestigd aan het Rokin, hoek Morensteegje, in Amsterdam. Kristal van deze gerenomeerde zaak was vooral in de eerste helft van deze eeuw een begrip. Gerard Muller ontwierp op het gevoel en op het oog: dit in tegenstelling tot de ontwerppraktijk bij de Glasfabriek Leerdam, die op meer mathematische en theoretische grondslag was gebaseerd. De vormgeving van Mullers modellen was strak, eenvoudig en gericht op optimale bruikbaarheid. De Amsterdamse kristalhandelaar liet zijn ontwerpen in toonaangevende glasblazerijen in Bohemen (Gräflich Schaffgotsch'sche Josephinenhütte) en België (Cristalleries du Val-Saint-Lambert) uitvoeren.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het korset heeft eeuwenlang onderdeel uitgemaakt van de garderobe van de vrouw. Ook zwangere vrouwen droegen in de eerste maanden van de zwangerschap een korset om de ingesnoerde taille enigszins te behouden. Van oudsher is er nauwelijks speciaal vervaardigde zwangerschapskleding geweest. Bestaande kleding werd zo goed en kwaad als het ging aangepast en de dikke buik werd met sjaals en wijde capes gecamoufleerd. Het was 'not done' om je zwangerschap te tonen. Een reëel gevaar van het dragen van te strakke korsetten tijdens en direct na de zwangerschap betrof de verzakking van de baarmoeder. Als gevolg van meerdere zwangerschappen hadden veel vrouwen last van verzakking en de neerwaartse druk van het korset verergerde dit alleen maar. Artsen en kledinghervormers beargumenteerden dat korsetten vrouwenborsten - vooral de tepels - vervormde zodat het moeilijk of onmogelijk werd de baby te voeden. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw komt er meer aandacht voor de speciale eisen en behoeften rond een zwangerschap, ook speciale zwangerschapskorsetten verschenen. Deze zwangerschapskorsetten leken vaak nog veel op de gewone modellen, met stevige baleinen. Door de vetersluiting van het getoonde zwangerschapskorset kan de buik meegroeien. Na de bevalling kan het opnieuw gedragen worden als voedingskorset. De vetersluiting bij de buik werd weer aangetrokken, terwijl de drukknopen bij de buste open kunnen om de borst vrij te maken voor voeding. In 1906 adverteert de Winkel van Sinkel in Amsterdam nog met een zwangerschaps- en een voedsterkorset, per stuk voor 10 gulden en 50 cent (zie KA 1186, KA 14808, KA 17416).ns3:AHMTextsAuthor
_:Het korset is eeuwenlang het belangrijkste onderdeel van de garderobe van de vrouw geweest. De gewenste modevorm wordt in de zeventiende en achttiende eeuw verkregen door het keurslijf, in de negentiende en twintigste eeuw door het korset. Boezem, taille of heupen zijn door het korset geaccentueerd of vervaagd. Het korset wordt over een hemd gedragen. Ze zijn zelden gewassen, omdat het materiaal kwetsbaar is en ze nooit rechtstreeks op de huid zijn gedragen. Werkende vrouwen hebben zich nooit zo extreem strak ingeregen. Zij droegen een rijglijfje van een zacht materiaal dat makkelijk meegaf. Rijke dames werkten niet en snoerden zich in korsetten met baleinen, hout, hoorn of riet. Gangbare kleuren voor de vroege korsetten zijn wit, beige of lichtgrijs. Rond 1860 wordt dit uitgebreid met rood. Aan het eind van de negentiende eeuw zijn deze kleuren vervangen door zwart, geel, roze, blauw en de effen stoffen maken plaats voor gebrocheerde stoffen en zijde. Het korset is dan versierd met kant en lint. Vooral in de periode 1850-1910 ondergaat het korset veel vormveranderingen die gelijklopen met de verschillende silhouetten uit deze periode. De Reformbeweging, die rond 1900 vorm krijgt, maakt zich om gezondheidsredenen en hygiëne sterk om de korsetten uit te bannen. Voor velen is het korsetloze alternatief op dat moment te extravagant en niet prettig, want zij missen de steun die het korset hen biedt. Het duurt tot het eind van de jaren twintig duren voordat de vrouw werkelijk van het lichaamsvervormende korset is verlost.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het korset is eeuwenlang het belangrijkste onderdeel van de garderobe van de vrouw geweest. De gewenste modevorm wordt in de zeventiende en achttiende eeuw verkregen door het keurslijf, in de negentiende en twintigste eeuw door het korset. Boezem, taille of heupen zijn door het korset geaccentueerd of vervaagd. Het korset wordt over een hemd gedragen. Ze zijn zelden gewassen, omdat het materiaal kwetsbaar is en ze nooit rechtstreeks op de huid zijn gedragen. Werkende vrouwen hebben zich nooit zo extreem strak ingeregen. Zij droegen een rijglijfje van een zacht materiaal dat makkelijk meegaf. Rijke dames werkten niet en snoerden zich in korsetten met baleinen, hout, hoorn of riet. Gangbare kleuren voor de vroege korsetten zijn wit, beige of lichtgrijs. Rond 1860 wordt dit uitgebreid met rood. Aan het eind van de negentiende eeuw zijn deze kleuren vervangen door zwart, geel, roze, blauw en de effen stoffen maken plaats voor gebrocheerde stoffen en zijde. Het korset is dan versierd met kant en lint. Vooral in de periode 1850-1910 ondergaat het korset veel vormveranderingen die gelijklopen met de verschillende silhouetten uit deze periode. De Reformbeweging, die rond 1900 vorm krijgt, maakt zich om gezondheidsredenen en hygiëne sterk om de korsetten uit te bannen. Voor velen is het korsetloze alternatief op dat moment te extravagant en niet prettig, want zij missen de steun die het korset hen biedt. Het duurt tot het eind van de jaren twintig duren voordat de vrouw werkelijk van het lichaamsvervormende korset is verlost.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het korset is eeuwenlang het belangrijkste onderdeel van de garderobe van de vrouw geweest. De gewenste modevorm wordt in de zeventiende en achttiende eeuw verkregen door het keurslijf, in de negentiende en twintigste eeuw door het korset. Boezem, taille of heupen zijn door het korset geaccentueerd of vervaagd. Het korset wordt over een hemd gedragen. Ze zijn zelden gewassen, omdat het materiaal kwetsbaar is en ze nooit rechtstreeks op de huid zijn gedragen. Werkende vrouwen hebben zich nooit zo extreem strak ingeregen. Zij droegen een rijglijfje van een zacht materiaal dat makkelijk meegaf. Rijke dames werkten niet en snoerden zich in korsetten met baleinen, hout, hoorn of riet. Gangbare kleuren voor de vroege korsetten zijn wit, beige of lichtgrijs. Rond 1860 wordt dit uitgebreid met rood. Aan het eind van de negentiende eeuw zijn deze kleuren vervangen door zwart, geel, roze, blauw en de effen stoffen maken plaats voor gebrocheerde stoffen en zijde. Het korset is dan versierd met kant en lint. Vooral in de periode 1850-1910 ondergaat het korset veel vormveranderingen die gelijklopen met de verschillende silhouetten uit deze periode. De Reformbeweging, die rond 1900 vorm krijgt, maakt zich om gezondheidsredenen en hygiëne sterk om de korsetten uit te bannen. Voor velen is het korsetloze alternatief op dat moment te extravagant en niet prettig, want zij missen de steun die het korset hen biedt. Het duurt tot het eind van de jaren twintig duren voordat de vrouw werkelijk van het lichaamsvervormende korset is verlost.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het lijfje en de rok van deze japon horen niet bij elkaar. De zwarte textielsoort krip doet vermoeden dat het lijfje onderdeel is geweest van een tweedelige rouwjapon. Krip is een rouwstof, die vooral in het laatste kwart van de negentiende eeuw populair is. De mouwen van de japon horen bij het modebeeld van 1892-1895. Vanaf 1890 zijn de mouwen van de japonnen groter en circa 1892 krijgen japonnen lange mouwen, waarvan het bovendeel sterk poffend. Na 1895 is de hele mouw poffend en wordt de grootste omvang ervan bereikt om vervolgens enkele jaren later geheel uit het modebeeld te verdwijnen. Zowel het lijfje met de rijk versierde, opgezette kraag als de rok zijn recent gerestaureerd. De kraag was deels vervormd en door slijtage zijn er gaten ontstaan. Daar waar de tule van de kraag de kralen raakte zijn er verkleuringen opgetreden. Om het lijfje in een staat te brengen waarin het mogelijk wordt deze te exposeren, is de buitenste kraag uit elkaar gehaald om vervolgens de zwakke plekken te verstevigen met nieuw toegevoegd katoen. Soms moeten eerdere restauraties ongedaan gemaakt worden om een kledingstuk te behouden. Zo is de rok bij een vroegere conservering op de plekken waar gaten in de stof vielen, aan de binnenkant met aangelijmde en zwartgeverfde gaas beplakt. Dit gaas is de loop der tijd echter zo hard geworden dat besloten is deze stukken te verwijderen. De rok heeft vervolgens een tegenvoering gekregen van zwarte zijde, waarop de gaten met spansteken zijn vastgezet op de ondergrond.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het lijfje en de rok van deze japon horen niet bij elkaar. De zwarte textielsoort krip doet vermoeden dat het lijfje onderdeel is geweest van een tweedelige rouwjapon. Krip is een rouwstof, die vooral in het laatste kwart van de negentiende eeuw populair is. De mouwen van de japon horen bij het modebeeld van 1892-1895. Vanaf 1890 zijn de mouwen van de japonnen groter en circa 1892 krijgen japonnen lange mouwen, waarvan het bovendeel sterk poffend. Na 1895 is de hele mouw poffend en wordt de grootste omvang ervan bereikt om vervolgens enkele jaren later geheel uit het modebeeld te verdwijnen. Zowel het lijfje met de rijk versierde, opgezette kraag als de rok zijn recent gerestaureerd. De kraag was deels vervormd en door slijtage zijn er gaten ontstaan. Daar waar de tule van de kraag de kralen raakte zijn er verkleuringen opgetreden. Om het lijfje in een staat te brengen waarin het mogelijk wordt deze te exposeren, is de buitenste kraag uit elkaar gehaald om vervolgens de zwakke plekken te verstevigen met nieuw toegevoegd katoen. Soms moeten eerdere restauraties ongedaan gemaakt worden om een kledingstuk te behouden. Zo is de rok bij een vroegere conservering op de plekken waar gaten in de stof vielen, aan de binnenkant met aangelijmde en zwartgeverfde gaas beplakt. Dit gaas is de loop der tijd echter zo hard geworden dat besloten is deze stukken te verwijderen. De rok heeft vervolgens een tegenvoering gekregen van zwarte zijde, waarop de gaten met spansteken zijn vastgezet op de ondergrond.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het meest in het oog springt de achterzijde van de japon, waar vele draperieën de aandacht trekken. De tournure levert de benodigde steun om de zware ladingen stof op zijn plek te houden. Na 1872 neemt het volume van de tournures jaarlijks toe: in 1873 staat zij vanuit de tailleband bijna horizontaal af en in de jaren tachtig rijst zij zelfs boven de tailleband uit. De tournure wordt over korset en onderrok gedragen. Hierover dragen dames een slepende onderrok met veel stroken, vaak van gesteven katoen. Om het effect te accentueren wordt over dit geheel een kortere overrok of japon gedragen met draperieën op de achterkant. De overrok van deze tweekleurige japon bestaat uit een lange lap stof waarvan de uiteinden aan de voorzijde diagonaal over elkaar heen vallen. Aan de achterzijde wordt de overrok met lussen opgetrokken, waardoor de slepende onderrok met stroken zichtbaar is en de achterkant extra aandacht krijgt. Na een korte onderbreking wordt de tournure vanaf circa 1883 opnieuw mode. De volumes van de draperieën nemen toe en vervolgens weer af. De vorm van de tournure verandert mee. De eerste japonnen die zonder tournure worden gedragen verschijnen rond 1889. Kleine tournure kussentjes draagt men echter nog tot circa 1905 onder de rokken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het meest in het oog springt de achterzijde van de japon, waar vele draperieën de aandacht trekken. De tournure levert de benodigde steun om de zware ladingen stof op zijn plek te houden. Na 1872 neemt het volume van de tournures jaarlijks toe: in 1873 staat zij vanuit de tailleband bijna horizontaal af en in de jaren tachtig rijst zij zelfs boven de tailleband uit. De tournure wordt over korset en onderrok gedragen. Hierover dragen dames een slepende onderrok met veel stroken, vaak van gesteven katoen. Om het effect te accentueren wordt over dit geheel een kortere overrok of japon gedragen met draperieën op de achterkant. De overrok van deze tweekleurige japon bestaat uit een lange lap stof waarvan de uiteinden aan de voorzijde diagonaal over elkaar heen vallen. Aan de achterzijde wordt de overrok met lussen opgetrokken, waardoor de slepende onderrok met stroken zichtbaar is en de achterkant extra aandacht krijgt. Na een korte onderbreking wordt de tournure vanaf circa 1883 opnieuw mode. De volumes van de draperieën nemen toe en vervolgens weer af. De vorm van de tournure verandert mee. De eerste japonnen die zonder tournure worden gedragen verschijnen rond 1889. Kleine tournure kussentjes draagt men echter nog tot circa 1905 onder de rokken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het meest in het oog springt de achterzijde van de japon, waar vele draperieën de aandacht trekken. De tournure levert de benodigde steun om de zware ladingen stof op zijn plek te houden. Na 1872 neemt het volume van de tournures jaarlijks toe: in 1873 staat zij vanuit de tailleband bijna horizontaal af en in de jaren tachtig rijst zij zelfs boven de tailleband uit. De tournure wordt over korset en onderrok gedragen. Hierover dragen dames een slepende onderrok met veel stroken, vaak van gesteven katoen. Om het effect te accentueren wordt over dit geheel een kortere overrok of japon gedragen met draperieën op de achterkant. De overrok van deze tweekleurige japon bestaat uit een lange lap stof waarvan de uiteinden aan de voorzijde diagonaal over elkaar heen vallen. Aan de achterzijde wordt de overrok met lussen opgetrokken, waardoor de slepende onderrok met stroken zichtbaar is en de achterkant extra aandacht krijgt. Na een korte onderbreking wordt de tournure vanaf circa 1883 opnieuw mode. De volumes van de draperieën nemen toe en vervolgens weer af. De vorm van de tournure verandert mee. De eerste japonnen die zonder tournure worden gedragen verschijnen rond 1889. Kleine tournure kussentjes draagt men echter nog tot circa 1905 onder de rokken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August Endert (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het merendeel van de ongeveer veertig doopjurkjes uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum dateert uit de negentiende eeuw. Lange, witte doopjurkjes verschijnen voor het eerst in Engeland in de late zeventiende eeuw. In Nederland droeg een dopeling toen nog wikkelkleding met een los doopkleed. Pas in het laatste kwart van de achttiende eeuw is de gewoonte overgenomen om baby's in los vallende jurkjes te kleden. In vorm en decoratie van de doopjurk is de invloed van vrouwenmode herkenbaar, zoals de hoogte van de taillenaad en de vorm van het lijfje. De negentiende-eeuwse doopjurkjes zijn overwegend van katoen. Het was gebruikelijk dat meerdere kinderen uit een familie in dezelfde jurk werden gedoopt. Zonodig werd de jurk aan de mode aangepast en vermaakt. Een voorbeeld hiervan is de doopjurk links vooraan op de foto. Het is een samengesteld stuk, waarvan het lijfje dateert uit circa 1850-´60 en de rok is gemaakt uit een modieuze sjaal uit de Empireperiode, circa 1810. Beide onderdelen zijn rond 1900 samengevoegd. De meeste doopjurkjes zijn via schenkingen uit particulier bezit in het museum terecht gekomen. De collectie bevat doopjurken van bekende - zoals de schilder Carel Willink (1900-1983) - en minder bekende Amsterdammers. Op de foto zit dopeling Carl August Endert (1900-1976) bij zijn moeder Carolina Helena Munier (1870-1938). Carl was de oudste uit een gezin van vier en is op 13 januari 1901 in de Lutherse Kerk te Amsterdam gedoopt. Zijn doopjurk is door een tante gemaakt. Carl's dochter heeft de doopjurk aan het museum geschonken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het niet nauwkeurig volschenken van het glas kon een hevelwerking op gang brengen waardoor de wijn via de tuitjes in de stam naar buiten liep.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het schaaltje diende mogelijk als wijnproefbakje om jonge wijn op kwaliteit te testen en te controleren tijdens het rijpingsproces.ns3:AHMTextsAuthor
_:Het schaaltje diende mogelijk als wijnproefbakje om jonge wijn op kwaliteit te testen en te controleren tijdens het rijpingsproces.ns3:AHMTextsAuthor
_:In 1907 bezat het glas nog een deksel (Catalogue 1907, p. 21 nr 133)ns3:AHMTextsAuthor
_:In de kostuumverzameling van het Amsterdams Historisch Museum bevinden zich meer damesjaponnen dan meisjesjurken. Wat er aan kledingstukken van vroeger bewaard is gebleven komt altijd uit de min of meer gegoede kringen, maar zelfs daar hebben meisjes hun kleertjes kennelijk meer afgedragen dan hun moeders. Eeuwenlang heeft men kinderen al op zeer jonge leeftijd als miniatuurvolwassenen gekleed. Dit goldt voor zowel meisjes als jongens. Vanaf de achttiende eeuw komen vanuit Engeland verschillende verbeteringen in de wijze van kleden van kinderen. Naarmate de negentiende eeuw verstrijkt gaan veel verworven vrijheden op kledinggebied voor volwassenen en kinderen echter verloren. Rond de jaren veertig wordt een meisje weer gekleed als een dame. Ook korsetten en crinolines horen bij de kleding van kleine meisjes. Tegen 1880 krijgen vrouwen en meisjes in hun japonnen meer ruimte rondom het middel dankzij de nieuwe prinsessenlijn die geen taillenaad heeft. De vrouwen gaan enkele jaren later hun taille weer insnoeren, maar de kinderen worden daar dan meestal niet meer toe gedwongen. In de jaren na 1880 begint de inmiddels weer gegroeide belangstelling voor de behoeften van het kind voor het eerst concrete vruchten af te werpen. Idealen op het gebied van eigen kleding voor kinderen worden nieuw leven ingeblazen.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de late negentiende eeuw veroveren meisjes en vrouwen uit de gegoede burgerij steeds meer bewegingsvrijheid buitenshuis. Het 'erop uit trekken' - de natuur in, wandelen, picknicks, naar het strand gaan en 's avonds naar theater of schouwburg - wordt populair.Welgestelde vrouwen maken meer deel uit van het openbare uitgaansleven. Voor hen geldt wel een strenge etiquette. Het is de tijd dat er protest tegen de strakke korsetten komt. Onder invloed van de groeiende belangstelling voor sport en vrouwenemancipatie wordt voor overdag wat sportievere kleding bij de hogere kringen geïntroduceerd. De uitgaanskleding is zeer extravagant. Kleding blijft echter in veel opzichten beperkingen opleggen. Het korset schrijft een tweedeling van het kostuum voor, maar - zoals hier zichtbaar is - vormt lijfje en rok bij de betere standen meestal een "japon", getypeerd door eenheid in stof, vormgeving en garnering. Het hoge, nauwe boord zorgt voor een rechte houding van het hoofd. De manchet van de japon eindigt bij het begin van de vingers, nette dames bedekken het liefst zoveel mogelijk. De klokvormige rok reikt tot de grond, zit glad om de heupen en loopt klokvormig toe tot aan de zoom. De achterkant eindigt in een kleine sleep. Nauwsluitende handschoenen zorgen ervoor dat er buitenshuis geen blote handen te zien zijn. Op het hoofd wordt een breedgerande hoed - versierd met bloemen of veren - gedragen op opgestoken, krullend haar. Het gebruik van een parasol beschermt de bleke huid tegen de zon.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de loop van de achttiende eeuw is het onder de gegoede burgervrouwen populair om op een wijde rok van zijden, wollen damast of katoen een getailleerd jak te dragen. De jakken, ook wel caraco of jukaatje genoemd, worden ook in de volksdrachten gedragen maar zijn dan van veel eenvoudiger stoffen. In het décolleté wordt een halsdoek of fichu gedragen en gewoonlijk is deze dracht gecombineerd met een schort. De rok en het jak zijn in de meeste gevallen levendig en verschillend van kleur. Het jak kan in lengte variëren. De mouwen zijn halflang, maar tegen het einde van de achttiende eeuw komen ook lange mouwen voor. Voor de rijkere vrouwen is dit geen kleding voor formele gelegenheden, maar huisdracht. In de verzameling van het museum bevindt zich een aantal van deze jakken in verschillende stoffen. Vooral de sitsen exemplaren zijn erg populair geweest. Deze dunne, oorspronkelijk uit India geïmporteerde, katoen is beschilderd of bedrukt met bloem- en bladmotieven in heldere kleuren. De mode van het jak en rok wordt verder gestimuleerd door het toneelstuk Le mariage de Figaro van Caron de Beaumarchais (1732-1799), dat vanaf 1784 in Frankrijk wordt opgevoerd. In het stuk draagt hoofdrolspeelster Suzanne – een kamenier van een gravin - een wit jak en een rok. In modeprenten uit de volgende jaren zijn dergelijke jakken afgebeeld als ’juste à la Suzanne’ en ‘juste à la Figaro’.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de loop van de achttiende eeuw is het onder de gegoede burgervrouwen populair om op een wijde rok van zijden, wollen damast of katoen een getailleerd jak te dragen. De jakken, ook wel caraco of jukaatje genoemd, worden ook in de volksdrachten gedragen maar zijn dan van veel eenvoudiger stoffen. In het décolleté wordt een halsdoek of fichu gedragen en gewoonlijk is deze dracht gecombineerd met een schort. De rok en het jak zijn in de meeste gevallen levendig en verschillend van kleur. Het jak kan in lengte variëren. De mouwen zijn halflang, maar tegen het einde van de achttiende eeuw komen ook lange mouwen voor. Voor de rijkere vrouwen is dit geen kleding voor formele gelegenheden, maar huisdracht. In de verzameling van het museum bevindt zich een aantal van deze jakken in verschillende stoffen. Vooral de sitsen exemplaren zijn erg populair geweest. Deze dunne, oorspronkelijk uit India geïmporteerde, katoen is beschilderd of bedrukt met bloem- en bladmotieven in heldere kleuren. De mode van het jak en rok wordt verder gestimuleerd door het toneelstuk Le mariage de Figaro van Caron de Beaumarchais (1732-1799), dat vanaf 1784 in Frankrijk wordt opgevoerd. In het stuk draagt hoofdrolspeelster Suzanne – een kamenier van een gravin - een wit jak en een rok. In modeprenten uit de volgende jaren zijn dergelijke jakken afgebeeld als ’juste à la Suzanne’ en ‘juste à la Figaro’.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de loop van de achttiende eeuw is het onder de gegoede burgervrouwen populair om op een wijde rok van zijden, wollen damast of katoen een getailleerd jak te dragen. De jakken, ook wel caraco of jukaatje genoemd, worden ook in de volksdrachten gedragen maar zijn dan van veel eenvoudiger stoffen. In het décolleté wordt een halsdoek of fichu gedragen en gewoonlijk is deze dracht gecombineerd met een schort. De rok en het jak zijn in de meeste gevallen levendig en verschillend van kleur. Het jak kan in lengte variëren. De mouwen zijn halflang, maar tegen het einde van de achttiende eeuw komen ook lange mouwen voor. Voor de rijkere vrouwen is dit geen kleding voor formele gelegenheden, maar huisdracht. In de verzameling van het museum bevindt zich een aantal van deze jakken in verschillende stoffen. Vooral de sitsen exemplaren zijn erg populair geweest. Deze dunne, oorspronkelijk uit India geïmporteerde, katoen is beschilderd of bedrukt met bloem- en bladmotieven in heldere kleuren. De mode van het jak en rok wordt verder gestimuleerd door het toneelstuk Le mariage de Figaro van Caron de Beaumarchais (1732-1799), dat vanaf 1784 in Frankrijk wordt opgevoerd. In het stuk draagt hoofdrolspeelster Suzanne – een kamenier van een gravin - een wit jak en een rok. In modeprenten uit de volgende jaren zijn dergelijke jakken afgebeeld als ’juste à la Suzanne’ en ‘juste à la Figaro’.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de loop van de achttiende eeuw is het onder de gegoede burgervrouwen populair om op een wijde rok van zijden, wollen damast of katoen een getailleerd jak te dragen. De jakken, ook wel caraco of jukaatje genoemd, worden ook in de volksdrachten gedragen maar zijn dan van veel eenvoudiger stoffen. In het décolleté wordt een halsdoek of fichu gedragen en gewoonlijk is deze dracht gecombineerd met een schort. De rok en het jak zijn in de meeste gevallen levendig en verschillend van kleur. Het jak kan in lengte variëren. De mouwen zijn halflang, maar tegen het einde van de achttiende eeuw komen ook lange mouwen voor. Voor de rijkere vrouwen is dit geen kleding voor formele gelegenheden, maar huisdracht. In de verzameling van het museum bevindt zich een aantal van deze jakken in verschillende stoffen. Vooral de sitsen exemplaren zijn erg populair geweest. Deze dunne, oorspronkelijk uit India geïmporteerde, katoen is beschilderd of bedrukt met bloem- en bladmotieven in heldere kleuren. De mode van het jak en rok wordt verder gestimuleerd door het toneelstuk Le mariage de Figaro van Caron de Beaumarchais (1732-1799), dat vanaf 1784 in Frankrijk wordt opgevoerd. In het stuk draagt hoofdrolspeelster Suzanne – een kamenier van een gravin - een wit jak en een rok. In modeprenten uit de volgende jaren zijn dergelijke jakken afgebeeld als ’juste à la Suzanne’ en ‘juste à la Figaro’.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de loop van de achttiende eeuw is het onder de gegoede burgervrouwen populair om op een wijde rok van zijden, wollen damast of katoen een getailleerd jak te dragen. De jakken, ook wel caraco of jukaatje genoemd, worden ook in de volksdrachten gedragen maar zijn dan van veel eenvoudiger stoffen. In het décolleté wordt een halsdoek of fichu gedragen en gewoonlijk is deze dracht gecombineerd met een schort. De rok en het jak zijn in de meeste gevallen levendig en verschillend van kleur. Het jak kan in lengte variëren. De mouwen zijn halflang, maar tegen het einde van de achttiende eeuw komen ook lange mouwen voor. Voor de rijkere vrouwen is dit geen kleding voor formele gelegenheden, maar huisdracht. In de verzameling van het museum bevindt zich een aantal van deze jakken in verschillende stoffen. Vooral de sitsen exemplaren zijn erg populair geweest. Deze dunne, oorspronkelijk uit India geïmporteerde, katoen is beschilderd of bedrukt met bloem- en bladmotieven in heldere kleuren. De mode van het jak en rok wordt verder gestimuleerd door het toneelstuk Le mariage de Figaro van Caron de Beaumarchais (1732-1799), dat vanaf 1784 in Frankrijk wordt opgevoerd. In het stuk draagt hoofdrolspeelster Suzanne – een kamenier van een gravin - een wit jak en een rok. In modeprenten uit de volgende jaren zijn dergelijke jakken afgebeeld als ’juste à la Suzanne’ en ‘juste à la Figaro’.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de loop van de achttiende eeuw is het onder de gegoede burgervrouwen populair om op een wijde rok van zijden, wollen damast of katoen een getailleerd jak te dragen. De jakken, ook wel caraco of jukaatje genoemd, worden ook in de volksdrachten gedragen maar zijn dan van veel eenvoudiger stoffen. In het décolleté wordt een halsdoek of fichu gedragen en gewoonlijk is deze dracht gecombineerd met een schort. De rok en het jak zijn in de meeste gevallen levendig en verschillend van kleur. Het jak kan in lengte variëren. De mouwen zijn halflang, maar tegen het einde van de achttiende eeuw komen ook lange mouwen voor. Voor de rijkere vrouwen is dit geen kleding voor formele gelegenheden, maar huisdracht. In de verzameling van het museum bevindt zich een aantal van deze jakken in verschillende stoffen. Vooral de sitsen exemplaren zijn erg populair geweest. Deze dunne, oorspronkelijk uit India geïmporteerde, katoen is beschilderd of bedrukt met bloem- en bladmotieven in heldere kleuren. De mode van het jak en rok wordt verder gestimuleerd door het toneelstuk Le mariage de Figaro van Caron de Beaumarchais (1732-1799), dat vanaf 1784 in Frankrijk wordt opgevoerd. In het stuk draagt hoofdrolspeelster Suzanne – een kamenier van een gravin - een wit jak en een rok. In modeprenten uit de volgende jaren zijn dergelijke jakken afgebeeld als ’juste à la Suzanne’ en ‘juste à la Figaro’.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de loop van de achttiende eeuw is het onder de gegoede burgervrouwen populair om op een wijde rok van zijden, wollen damast of katoen een getailleerd jak te dragen. De jakken, ook wel caraco of jukaatje genoemd, worden ook in de volksdrachten gedragen maar zijn dan van veel eenvoudiger stoffen. In het décolleté wordt een halsdoek of fichu gedragen en gewoonlijk is deze dracht gecombineerd met een schort. De rok en het jak zijn in de meeste gevallen levendig en verschillend van kleur. Het jak kan in lengte variëren. De mouwen zijn halflang, maar tegen het einde van de achttiende eeuw komen ook lange mouwen voor. Voor de rijkere vrouwen is dit geen kleding voor formele gelegenheden, maar huisdracht. In de verzameling van het museum bevindt zich een aantal van deze jakken in verschillende stoffen. Vooral de sitsen exemplaren zijn erg populair geweest. Deze dunne, oorspronkelijk uit India geïmporteerde, katoen is beschilderd of bedrukt met bloem- en bladmotieven in heldere kleuren. De mode van het jak en rok wordt verder gestimuleerd door het toneelstuk Le mariage de Figaro van Caron de Beaumarchais (1732-1799), dat vanaf 1784 in Frankrijk wordt opgevoerd. In het stuk draagt hoofdrolspeelster Suzanne – een kamenier van een gravin - een wit jak en een rok. In modeprenten uit de volgende jaren zijn dergelijke jakken afgebeeld als ’juste à la Suzanne’ en ‘juste à la Figaro’.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de loop van de achttiende eeuw is het onder de gegoede burgervrouwen populair om op een wijde rok van zijden, wollen damast of katoen een getailleerd jak te dragen. De jakken, ook wel caraco of jukaatje genoemd, worden ook in de volksdrachten gedragen maar zijn dan van veel eenvoudiger stoffen. In het décolleté wordt een halsdoek of fichu gedragen en gewoonlijk is deze dracht gecombineerd met een schort. De rok en het jak zijn in de meeste gevallen levendig en verschillend van kleur. Het jak kan in lengte variëren. De mouwen zijn halflang, maar tegen het einde van de achttiende eeuw komen ook lange mouwen voor. Voor de rijkere vrouwen is dit geen kleding voor formele gelegenheden, maar huisdracht. In de verzameling van het museum bevindt zich een aantal van deze jakken in verschillende stoffen. Vooral de sitsen exemplaren zijn erg populair geweest. Deze dunne, oorspronkelijk uit India geïmporteerde, katoen is beschilderd of bedrukt met bloem- en bladmotieven in heldere kleuren. De mode van het jak en rok wordt verder gestimuleerd door het toneelstuk Le mariage de Figaro van Caron de Beaumarchais (1732-1799), dat vanaf 1784 in Frankrijk wordt opgevoerd. In het stuk draagt hoofdrolspeelster Suzanne – een kamenier van een gravin - een wit jak en een rok. In modeprenten uit de volgende jaren zijn dergelijke jakken afgebeeld als ’juste à la Suzanne’ en ‘juste à la Figaro’.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de tweede helft van de achttiende eeuw dicteren het Franse en Engelse hof de mode. Andere Europese hoven en de adel volgen. Kostbare beschilderde zijden stoffen zijn populair, zowel de uit China geïmporteerde als de in West-Europa gefabriceerde. Deze japon, robe à la française genoemd, heeft de kenmerkende rug die in platte plooien is gelegd en die vanaf de schouders uitwaaieren tot op de grond. Het is de vroegste japon uit de collectie van het museum. De zijden overjapon en rok zijn met de hand beschilderd. Meer dan tachtig bloemensoorten, elf vlindersoorten, verschillende insecten en een vogel zijn afgebeeld. Alle geschilderde bloemen komen voor op Hollandse schilderijen en tekeningen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Ongebruikelijk is dat de schildering rekening houdt met de patroondelen en versieringen van de japon. Doorgaans gaat het om een doorlopend patroon, dat per meter op de stof is aangebracht. Het museum bezit een tweede japon die eveneens volgens dit principe met de hand beschilderd is (KA 1056, KA 1057). Dit is uniek, want in diverse binnen- en buitenlandse collecties zijn dergelijke japonnen – vooralsnog – onbekend. Wie de schitterende japon heeft gedragen is onbekend. Na een langdurig bruikleen van de Vak- en Huishoudschool Prinses Irene vanaf 1970 is de japon in 1998 aan het museum geschonken. De japon verkeerde in zeer fragiele staat. Verfstoffen hadden de zijde op aangetast en beschadigd, waardoor de stof uiteen dreigde te vallen. Na een intensieve restauratie in 2005 is het mogelijk geworden de japon voor toekomstige generaties te behouden. De foto is genomen voor de restauratie volledig was afgerond. Inmiddels is de restauratie voltooid.ns3:AHMTextsAuthor
_:In de tweede helft van de achttiende eeuw dicteren het Franse en Engelse hof de mode. Andere Europese hoven en de adel volgen. Kostbare beschilderde zijden stoffen zijn populair, zowel de uit China geïmporteerde als de in West-Europa gefabriceerde. Deze japon, ´0robe à la française´ genoemd, heeft de kenmerkende rug die in platte plooien is gelegd en die vanaf de schouders uitwaaieren tot op de grond. Het is de vroegste japon uit de collectie van het museum. De zijden overjapon en rok zijn met de hand beschilderd. Meer dan tachtig bloemensoorten, elf vlindersoorten, verschillende insecten en een vogel zijn afgebeeld. Alle geschilderde bloemen komen voor op Hollandse schilderijen en tekeningen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Ongebruikelijk is dat de schildering rekening houdt met de patroondelen en versieringen van de japon. Doorgaans gaat het om een doorlopend patroon, dat per meter op de stof is aangebracht. Het museum bezit een tweede japon die eveneens volgens dit principe met de hand beschilderd is (KA 1056, KA 1057). Dit is uniek, want in diverse binnen- en buitenlandse collecties zijn dergelijke japonnen – vooralsnog – onbekend. Wie de schitterende japon heeft gedragen is onbekend. Na een langdurig bruikleen van de Vak- en Huishoudschool Prinses Irene vanaf 1970 is de japon in 1998 aan het museum geschonken. De japon verkeerde in zeer fragiele staat. Verfstoffen hadden de zijde op aangetast en beschadigd, waardoor de stof uiteen dreigde te vallen. Na een intensieve restauratie in 2005 is het mogelijk geworden de japon voor toekomstige generaties te behouden. De foto is genomen voor de restauratie volledig was afgerond. Inmiddels is de restauratie voltooid.ns3:AHMTextsAuthor
_:Laarsjes, ca. 1870-1880 satijn, zijde, leer, katoen/linnen Mogelijk legaat mevrouw S.A.Lopez Suasso-de Bruijn, 1890 (KA 1385, 1386, 1381, 1384); schenking uit particulier bezit, 1969 (KA 14223); herkomst onbekend (KA 1377) KA 1385, 1386, 14223, 1377, 1381, 1384 Na circa 1830 komen naast de zijden en fluwelen schoentjes voor de welgestelde dames ook laarsjes in de mode. Wat de modieuze herenschoen betreft; de laars heeft het in de achttiende eeuw al gewonnen van de schoen. Voor vrouwen is het dan uitgesloten dat zij laarzen dragen, dat werd als onflatteus beschouwd. Een uitzondering vormt de paardrijlaars, die alleen tijdens het rijden wordt gedragen. Rond 1835 beginnen dames laarsjes in het dagelijkse leven te dragen. De vroege halve laarsjes met platte hak zijn enkelhoog en worden met veters of knoopjes gesloten. Om de voet beter uit te laten komen zijn de laarsjes op smalle leest geschoeid. Bij schoenen is er tot ongeveer 1890 geen onderscheid in een linker- en rechterschoen aangebracht, laarsjes daarentegen worden al vanaf circa 1840 naar de leest gevormd. Halve laarsjes zijn gedurende de negentiende eeuw vooral mode voor wandelen en paardrijden; gekleurde laarsjes worden enorm populair. Na 1850 zijn ze meer dan enkelhoog. Ook de hakhoogte neemt toe. Halverwege de negentiende eeuw komt de massaproductie op gang en kunnen niet alleen welgestelde dames, maar ook de werkende dienstbodes zich laarsjes permitteren. De laarsjes bedekken de gehele voet en zijn met zijden stoffen en borduursels versierd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Massieve schijf van persglas met op onderzijde het opschrift: 1934/ ERASMUS/ 1984/. De presse-papier is vervaardigd ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van Erasmus Antiquariaat en Boekhandel in 1984.ns3:AHMTextsAuthor
_:Na circa 1830 komen naast de zijden en fluwelen schoentjes voor de welgestelde dames ook laarsjes in de mode. Wat de modieuze herenschoen betreft; de laars heeft het in de achttiende eeuw al gewonnen van de schoen. Voor vrouwen is het dan uitgesloten dat zij laarzen dragen, dat werd als onflatteus beschouwd. Een uitzondering vormt de paardrijlaars, die alleen tijdens het rijden wordt gedragen. Rond 1835 beginnen dames laarsjes in het dagelijkse leven te dragen. De vroege halve laarsjes met platte hak zijn enkelhoog en worden met veters of knoopjes gesloten. Om de voet beter uit te laten komen zijn de laarsjes op smalle leest geschoeid. Bij schoenen is er tot ongeveer 1890 geen onderscheid in een linker- en rechterschoen aangebracht, laarsjes daarentegen worden al vanaf circa 1840 naar de leest gevormd. Halve laarsjes zijn gedurende de negentiende eeuw vooral mode voor wandelen en paardrijden; gekleurde laarsjes worden enorm populair. Na 1850 zijn ze meer dan enkelhoog. Ook de hakhoogte neemt toe. Halverwege de negentiende eeuw komt de massaproductie op gang en kunnen niet alleen welgestelde dames, maar ook de werkende dienstbodes zich laarsjes permitteren. De laarsjes bedekken de gehele voet en zijn met zijden stoffen en borduursels versierd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Na circa 1830 komen naast de zijden en fluwelen schoentjes voor de welgestelde dames ook laarsjes in de mode. Wat de modieuze herenschoen betreft; de laars heeft het in de achttiende eeuw al gewonnen van de schoen. Voor vrouwen is het dan uitgesloten dat zij laarzen dragen, dat werd als onflatteus beschouwd. Een uitzondering vormt de paardrijlaars, die alleen tijdens het rijden wordt gedragen. Rond 1835 beginnen dames laarsjes in het dagelijkse leven te dragen. De vroege halve laarsjes met platte hak zijn enkelhoog en worden met veters of knoopjes gesloten. Om de voet beter uit te laten komen zijn de laarsjes op smalle leest geschoeid. Bij schoenen is er tot ongeveer 1890 geen onderscheid in een linker- en rechterschoen aangebracht, laarsjes daarentegen worden al vanaf circa 1840 naar de leest gevormd. Halve laarsjes zijn gedurende de negentiende eeuw vooral mode voor wandelen en paardrijden; gekleurde laarsjes worden enorm populair. Na 1850 zijn ze meer dan enkelhoog. Ook de hakhoogte neemt toe. Halverwege de negentiende eeuw komt de massaproductie op gang en kunnen niet alleen welgestelde dames, maar ook de werkende dienstbodes zich laarsjes permitteren. De laarsjes bedekken de gehele voet en zijn met zijden stoffen en borduursels versierd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Na circa 1830 komen naast de zijden en fluwelen schoentjes voor de welgestelde dames ook laarsjes in de mode. Wat de modieuze herenschoen betreft; de laars heeft het in de achttiende eeuw al gewonnen van de schoen. Voor vrouwen is het dan uitgesloten dat zij laarzen dragen, dat werd als onflatteus beschouwd. Een uitzondering vormt de paardrijlaars, die alleen tijdens het rijden wordt gedragen. Rond 1835 beginnen dames laarsjes in het dagelijkse leven te dragen. De vroege halve laarsjes met platte hak zijn enkelhoog en worden met veters of knoopjes gesloten. Om de voet beter uit te laten komen zijn de laarsjes op smalle leest geschoeid. Bij schoenen is er tot ongeveer 1890 geen onderscheid in een linker- en rechterschoen aangebracht, laarsjes daarentegen worden al vanaf circa 1840 naar de leest gevormd. Halve laarsjes zijn gedurende de negentiende eeuw vooral mode voor wandelen en paardrijden; gekleurde laarsjes worden enorm populair. Na 1850 zijn ze meer dan enkelhoog. Ook de hakhoogte neemt toe. Halverwege de negentiende eeuw komt de massaproductie op gang en kunnen niet alleen welgestelde dames, maar ook de werkende dienstbodes zich laarsjes permitteren. De laarsjes bedekken de gehele voet en zijn met zijden stoffen en borduursels versierd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Na circa 1830 komen naast de zijden en fluwelen schoentjes voor de welgestelde dames ook laarsjes in de mode. Wat de modieuze herenschoen betreft; de laars heeft het in de achttiende eeuw al gewonnen van de schoen. Voor vrouwen is het dan uitgesloten dat zij laarzen dragen, dat werd als onflatteus beschouwd. Een uitzondering vormt de paardrijlaars, die alleen tijdens het rijden wordt gedragen. Rond 1835 beginnen dames laarsjes in het dagelijkse leven te dragen. De vroege halve laarsjes met platte hak zijn enkelhoog en worden met veters of knoopjes gesloten. Om de voet beter uit te laten komen zijn de laarsjes op smalle leest geschoeid. Bij schoenen is er tot ongeveer 1890 geen onderscheid in een linker- en rechterschoen aangebracht, laarsjes daarentegen worden al vanaf circa 1840 naar de leest gevormd. Halve laarsjes zijn gedurende de negentiende eeuw vooral mode voor wandelen en paardrijden; gekleurde laarsjes worden enorm populair. Na 1850 zijn ze meer dan enkelhoog. Ook de hakhoogte neemt toe. Halverwege de negentiende eeuw komt de massaproductie op gang en kunnen niet alleen welgestelde dames, maar ook de werkende dienstbodes zich laarsjes permitteren. De laarsjes bedekken de gehele voet en zijn met zijden stoffen en borduursels versierd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Na circa 1830 komen naast de zijden en fluwelen schoentjes voor de welgestelde dames ook laarsjes in de mode. Wat de modieuze herenschoen betreft; de laars heeft het in de achttiende eeuw al gewonnen van de schoen. Voor vrouwen is het dan uitgesloten dat zij laarzen dragen, dat werd als onflatteus beschouwd. Een uitzondering vormt de paardrijlaars, die alleen tijdens het rijden wordt gedragen. Rond 1835 beginnen dames laarsjes in het dagelijkse leven te dragen. De vroege halve laarsjes met platte hak zijn enkelhoog en worden met veters of knoopjes gesloten. Om de voet beter uit te laten komen zijn de laarsjes op smalle leest geschoeid. Bij schoenen is er tot ongeveer 1890 geen onderscheid in een linker- en rechterschoen aangebracht, laarsjes daarentegen worden al vanaf circa 1840 naar de leest gevormd. Halve laarsjes zijn gedurende de negentiende eeuw vooral mode voor wandelen en paardrijden; gekleurde laarsjes worden enorm populair. Na 1850 zijn ze meer dan enkelhoog. Ook de hakhoogte neemt toe. Halverwege de negentiende eeuw komt de massaproductie op gang en kunnen niet alleen welgestelde dames, maar ook de werkende dienstbodes zich laarsjes permitteren. De laarsjes bedekken de gehele voet en zijn met zijden stoffen en borduursels versierd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Na de val van Napoleon in 1815 is Europa verarmd door alle oorlogen. Nederland wordt een koninkrijk en de nieuwe koning Willem I leidt een sober hof. In de daaropvolgende jaren herstelt Nederland langzaam van de economische malaise van de Franse Tijd. De nieuwe burgerij maakt opmars. Als inspiratiebron voor mode, bouwkunst en interieur wordt gekeken naar de 'betere tijden' van de middeleeuwen en de renaissance. De Biedermeiertijd (1815-1848) staat voor deugdzaamheid, huiselijkheid en preutsheid. Vrouwen krijgen het etiket opgeplakt van kwetsbaar, teer, afhankelijk en breekbaar. De nieuwe mode draagt aan dit beeld bij. De materiaalkeuze voor japonnen is eenvoudig; tussen 1830 en 1840 worden vele katoenen stoffen gebruikt. De taillelijn is weer naar de normale plaats gezakt en het strak aangeregen korset behoort rond 1825 opnieuw tot het modebeeld. Dit leidt tot smalle tailles die in schril contrast met de wijde rokken staan. De schouderlijn zakt af en afhangende schouders zijn het schoonheidsideaal. Het pofmouwtje uit de Empire-periode is vervangen door een grotere mouw, die zich uiteindelijke ontwikkelt tot een enorme schapenboutmouw die taps toeloopt aan de pols. Rond 1835 is de grootste omvang van de mouw bereikt. In de jaren hierna zakken de mouwen naar de pols om vervolgens uit het modebeeld te verdwijnen. Het model van deze japon loopt achter op de heersende mode, want de mouwomvang is wat groot voor de tijd. Rond 1840 is een lange gladde mouw bereikt.ns3:AHMTextsAuthor
_:Na de val van Napoleon in 1815 wordt het silhouet van de japonnen breder en de gebruikte stoffen zwaarder en donkerder van kleur. Zijde komt weer in de mode. De taillelijn zakt naar de normale hoogte en het korset wordt opnieuw gedragen. Kenmerkend zijn de ruime lage hals en de gigot-mouwen, die van boven ruim zitten en bij de pols strak toelopen. Ze worden gesloten met kleine stofknoopjes. De meisjesjapon heeft hetzelfde model, met uitzondering van de rechte mouwen. Deze japonnen maken - samen met meer dan tweehonderd overige dames-, heren- en kinderkledingstukken, ondergoed en accessoires - onderdeel uit van een grote schenking aan het Amsterdams Historisch Museum. De voormalige Amsterdamse Prinses Irene school gaf de kleding in 1970 aan het museum in bruikleen; in 1998 is dit bruikleen omgezet in een schenking. De rijke en gevarieerde kostuums dateren uit circa 1760-1920 en zijn representatief voor een groot aantal verschillende modestijlen. Het is voornamelijk vrouwenkleding. Helaas is er niets bekend over de makers en draagsters van de kledingstukken. Niet onwaarschijnlijk is dat veel van de draagsters Amsterdams waren. Waarschijnlijk is een deel van de collectie voor de Tweede Wereldoorlog door een van de bestuursleden aan de school is geschonken. De Vak-en Huishoudschool Prinses Irene is voortgekomen uit de Vakschool voor Verbeetering van Vrouwen- en kinderkleding in 1909. De kleding is als studiemateriaal voor de meisjes gebruikt, waarschijnlijk bij kostuum- en naailessen. Voor 1970 is de kleding tevens gebruikt voor het geven van ‘historische’ modeshows.ns3:AHMTextsAuthor
_:Na de val van Napoleon in 1815 wordt het silhouet van de japonnen breder en de gebruikte stoffen zwaarder en donkerder van kleur. Zijde komt weer in de mode. De taillelijn zakt naar de normale hoogte en het korset wordt opnieuw gedragen. Kenmerkend zijn de ruime lage hals en de gigot-mouwen, die van boven ruim zitten en bij de pols strak toelopen. Ze worden gesloten met kleine stofknoopjes. De meisjesjapon heeft hetzelfde model, met uitzondering van de rechte mouwen. Deze japonnen maken - samen met meer dan tweehonderd overige dames-, heren- en kinderkledingstukken, ondergoed en accessoires - onderdeel uit van een grote schenking aan het Amsterdams Historisch Museum. De voormalige Amsterdamse Prinses Irene school gaf de kleding in 1970 aan het museum in bruikleen; in 1998 is dit bruikleen omgezet in een schenking. De rijke en gevarieerde kostuums dateren uit circa 1760-1920 en zijn representatief voor een groot aantal verschillende modestijlen. Het is voornamelijk vrouwenkleding. Helaas is er niets bekend over de makers en draagsters van de kledingstukken. Niet onwaarschijnlijk is dat veel van de draagsters Amsterdams waren. Waarschijnlijk is een deel van de collectie voor de Tweede Wereldoorlog door een van de bestuursleden aan de school is geschonken. De Vak-en Huishoudschool Prinses Irene is voortgekomen uit de Vakschool voor Verbeetering van Vrouwen- en kinderkleding in 1909. De kleding is als studiemateriaal voor de meisjes gebruikt, waarschijnlijk bij kostuum- en naailessen. Voor 1970 is de kleding tevens gebruikt voor het geven van ‘historische’ modeshows.ns3:AHMTextsAuthor
_:Na een periode van politieke en sociale onrust die in 1848 leidt tot revoluties in verschillende Europese landen, volgt een periode waarin de bourgeoisie meer invloed krijgt en de welvaart toeneemt. Dit is ook zichtbaar in de kleding die luxer en weelderiger wordt. Om aan de heersende mode van de vroege wijde rokken te voldoen, worden vanaf 1830 vele onderrokken gedragen. Rond 1840 worden de rokken wijder en groter en is de zware rokkenvracht aangevuld met een met paardenhaar verstevigde onderrok. Omdat de rokken vervolgens nog wijder worden, voldoen de vele onderrokken of de verstevigde onderrok niet meer. Het gewenste effect moet op een andere manier bereikt worden. De introductie van de hoepelrok of kooicrinoline in 1856 biedt uitkomst. Deze nieuwe onderrok bestaat uit stalen hoepels die met katoenen banden aan elkaar verbonden zijn. Het rondom aanbrengen van stroken benadrukt de grote rokomvang. De getoonde japon is hier een voorbeeld van. Rond 1860 bereikt de mode van wijde rokken het hoogtepunt: de rok van een baljurk kon een doorsnee van wel drie meter hebben! Hierna wordt de voorzijde van de rok platter en verplaatst het accent van de rok zich via wijduitstaande draperieën naar de achterzijde. Een queu van stalen banden op de billen ondersteunt de zware stof aan de achterzijde.ns3:AHMTextsAuthor
_:Nadat in de jaren zestig van de negentiende eeuw de koepelvormige crinolinejapon haar grootste omvang heeft bereikt, verdwijnt zij langzaam uit het modebeeld. Het accent van de rok heeft zich inmiddels met veel drapperieën naar de achterkant van de rok verplaatst. Dit silouet wordt 'queue de Paris' genoemd. Het effect wordt bereikt door het dragen van een tournure. Een voorbeeld van een tournure is hier afgebeeld. De Tournure is eigenlijk een korte, halve crinoline die de japonrokken aan de achteraknt steunt. Soms zit de tournure in de japonnen vastgenaaid. Deze eerste tournure is afhangend en creëert met de draperieën aan de achterzijde van de japon een ' watervaleffect'. Lange slepen zijn in de mode. tot 1875 torst men meer en meer aan draperieën met zich mee. Daarna verdwijnt de tournure voor korte tijd. Omstreeks 1883 verschijnt de tweede tournure die horizontaal wordt gedragen. Het silouet heeft dan nog steeds het accent van de rok op de achterzijde liggen, maar het geeft een hoekiger effect. Het lijf wordt langer en valt tot over de heupen. Makkelijk zitten met een dergelijk korset en de tournure was het niet, daarom is rond 1887 een opklapbare tournure in de handel gebracht. Voorzichtig gaan zitten op de punt van het achtervlak werkt het best.ns3:AHMTextsAuthor
_:Nadat in de jaren zestig van de negentiende eeuw de koepelvormige crinolinejapon haar grootste omvang heeft bereikt, verdwijnt zij langzaam uit het modebeeld. Het accent van de rok heeft zich inmiddels met veel drapperieën naar de achterkant van de rok verplaatst. Dit silouet wordt 'queue de Paris' genoemd. Het effect wordt bereikt door het dragen van een tournure. Een voorbeeld van een tournure is hier afgebeeld. De Tournure is eigenlijk een korte, halve crinoline die de japonrokken aan de achteraknt steunt. Soms zit de tournure in de japonnen vastgenaaid. Deze eerste tournure is afhangend en creëert met de draperieën aan de achterzijde van de japon een ' watervaleffect'. Lange slepen zijn in de mode. tot 1875 torst men meer en meer aan draperieën met zich mee. Daarna verdwijnt de tournure voor korte tijd. Omstreeks 1883 verschijnt de tweede tournure die horizontaal wordt gedragen. Het silouet heeft dan nog steeds het accent van de rok op de achterzijde liggen, maar het geeft een hoekiger effect. Het lijf wordt langer en valt tot over de heupen. Makkelijk zitten met een dergelijk korset en de tournure was het niet, daarom is rond 1887 een opklapbare tournure in de handel gebracht. Voorzichtig gaan zitten op de punt van het achtervlak werkt het best.ns3:AHMTextsAuthor
_:Nadat in de jaren zestig van de negentiende eeuw de koepelvormige crinolinejapon haar grootste omvang heeft bereikt, verdwijnt zij langzaam uit het modebeeld. Het accent van de rok heeft zich inmiddels met veel drapperieën naar de achterkant van de rok verplaatst. Dit silouet wordt 'queue de Paris' genoemd. Het effect wordt bereikt door het dragen van een tournure. Een voorbeeld van een tournure is hier afgebeeld. De Tournure is eigenlijk een korte, halve crinoline die de japonrokken aan de achteraknt steunt. Soms zit de tournure in de japonnen vastgenaaid. Deze eerste tournure is afhangend en creëert met de draperieën aan de achterzijde van de japon een ' watervaleffect'. Lange slepen zijn in de mode. tot 1875 torst men meer en meer aan draperieën met zich mee. Daarna verdwijnt de tournure voor korte tijd. Omstreeks 1883 verschijnt de tweede tournure die horizontaal wordt gedragen. Het silouet heeft dan nog steeds het accent van de rok op de achterzijde liggen, maar het geeft een hoekiger effect. Het lijf wordt langer en valt tot over de heupen. Makkelijk zitten met een dergelijk korset en de tournure was het niet, daarom is rond 1887 een opklapbare tournure in de handel gebracht. Voorzichtig gaan zitten op de punt van het achtervlak werkt het best.ns3:AHMTextsAuthor
_:Nadat in de jaren zestig van de negentiende eeuw de koepelvormige crinolinejapon haar grootste omvang heeft bereikt, verdwijnt zij langzaam uit het modebeeld. Het accent van de rok heeft zich inmiddels met veel drapperieën naar de achterkant van de rok verplaatst. Dit silouet wordt 'queue de Paris' genoemd. Het effect wordt bereikt door het dragen van een tournure. Een voorbeeld van een tournure is hier afgebeeld. De Tournure is eigenlijk een korte, halve crinoline die de japonrokken aan de achteraknt steunt. Soms zit de tournure in de japonnen vastgenaaid. Deze eerste tournure is afhangend en creëert met de draperieën aan de achterzijde van de japon een ' watervaleffect'. Lange slepen zijn in de mode. tot 1875 torst men meer en meer aan draperieën met zich mee. Daarna verdwijnt de tournure voor korte tijd. Omstreeks 1883 verschijnt de tweede tournure die horizontaal wordt gedragen. Het silouet heeft dan nog steeds het accent van de rok op de achterzijde liggen, maar het geeft een hoekiger effect. Het lijf wordt langer en valt tot over de heupen. Makkelijk zitten met een dergelijk korset en de tournure was het niet, daarom is rond 1887 een opklapbare tournure in de handel gebracht. Voorzichtig gaan zitten op de punt van het achtervlak werkt het best.ns3:AHMTextsAuthor
_:Onder zonnestralen een echtpaar dat een ring ophoudt. Op de andere zijde het opschrift: HET GOED SUCCES VAN 'T HUWELYK/. Het hoofdmotief op het glas is de 'dextrarum iunctio'; de verbinding van de rechterhanden. Samen houden de man en vrouw een ring omhoog, het symbool van eenheid.ns3:AHMTextsAuthor
_:Onderkleding bepaalt het silhouet van wijde rokken en smalle tailles. Dames dragen een hemd en een pantalette (onderbroek) met broekspijpjes met een kantje. Over het hemd draagt men een korset om de taille smaller te doen lijken en de buste omhoog te duwen. De hoepelrok wordt over een sluike katoenen onderrok gedragen. Over de hoepelrok komt vervolgens een tweede onderrok, waarover tenslotte de bovenkleding. Al met al is het een kunst geworden om je op een natuurlijke manier voort te bewegen. Ook onder deze japon is een crinoline gedragen. De japon bestaat uit een rok, een daglijfje en een bolerolijfje. Deze werden niet gelijktijdig gedragen. Het bolerolijfje hoort met een batisten blouse gecombineerd te worden en is voor het informele buitenleven bestemd. De crinoline is een geliefd onderwerp om de spot mee te drijven. De enorme omvang van de rokken zorgt regelmatig voor bewegingsproblemen in huis of in openbare gelegenheden. Kritiek is er ook; het gevaar bij openhaarden en kaarsen is groot. In kranten is regelmatig melding gemaakt van slachtoffers die de crinoline maakte. In de zestiger jaren van de negentiende eeuw zorgt een grote brand in de kathedraal van Santiago voor tweeduizend slachtoffers. De brand is veroorzaakt door een tule strook op een wijde japon die in aanraking is gekomen met een van de kaarsen. Een ander voorval meldt de Ierse krant Clare Journal and Ennis Advertiser op 6 januari 1862: 'Another girl burnt to death through crinoline'. Door een kaars vat haar crinoline vlam en de vrouw overleeft de verwondingen niet.ns3:AHMTextsAuthor
_:Onderkleding bepaalt het silhouet van wijde rokken en smalle tailles. Dames dragen een hemd en een pantalette (onderbroek) met broekspijpjes met een kantje. Over het hemd draagt men een korset om de taille smaller te doen lijken en de buste omhoog te duwen. De hoepelrok wordt over een sluike katoenen onderrok gedragen. Over de hoepelrok komt vervolgens een tweede onderrok, waarover tenslotte de bovenkleding. Al met al is het een kunst geworden om je op een natuurlijke manier voort te bewegen. Ook onder deze japon is een crinoline gedragen. De japon bestaat uit een rok, een daglijfje en een bolerolijfje. Deze werden niet gelijktijdig gedragen. Het bolerolijfje hoort met een batisten blouse gecombineerd te worden en is voor het informele buitenleven bestemd. De crinoline is een geliefd onderwerp om de spot mee te drijven. De enorme omvang van de rokken zorgt regelmatig voor bewegingsproblemen in huis of in openbare gelegenheden. Kritiek is er ook; het gevaar bij openhaarden en kaarsen is groot. In kranten is regelmatig melding gemaakt van slachtoffers die de crinoline maakte. In de zestiger jaren van de negentiende eeuw zorgt een grote brand in de kathedraal van Santiago voor tweeduizend slachtoffers. De brand is veroorzaakt door een tule strook op een wijde japon die in aanraking is gekomen met een van de kaarsen. Een ander voorval meldt de Ierse krant Clare Journal and Ennis Advertiser op 6 januari 1862: 'Another girl burnt to death through crinoline'. Door een kaars vat haar crinoline vlam en de vrouw overleeft de verwondingen niet.ns3:AHMTextsAuthor
_:Onderkleding bepaalt het silhouet van wijde rokken en smalle tailles. Dames dragen een hemd en een pantalette (onderbroek) met broekspijpjes met een kantje. Over het hemd draagt men een korset om de taille smaller te doen lijken en de buste omhoog te duwen. De hoepelrok wordt over een sluike katoenen onderrok gedragen. Over de hoepelrok komt vervolgens een tweede onderrok, waarover tenslotte de bovenkleding. Al met al is het een kunst geworden om je op een natuurlijke manier voort te bewegen. Ook onder deze japon is een crinoline gedragen. De japon bestaat uit een rok, een daglijfje en een bolerolijfje. Deze werden niet gelijktijdig gedragen. Het bolerolijfje hoort met een batisten blouse gecombineerd te worden en is voor het informele buitenleven bestemd. De crinoline is een geliefd onderwerp om de spot mee te drijven. De enorme omvang van de rokken zorgt regelmatig voor bewegingsproblemen in huis of in openbare gelegenheden. Kritiek is er ook; het gevaar bij openhaarden en kaarsen is groot. In kranten is regelmatig melding gemaakt van slachtoffers die de crinoline maakte. In de zestiger jaren van de negentiende eeuw zorgt een grote brand in de kathedraal van Santiago voor tweeduizend slachtoffers. De brand is veroorzaakt door een tule strook op een wijde japon die in aanraking is gekomen met een van de kaarsen. Een ander voorval meldt de Ierse krant Clare Journal and Ennis Advertiser op 6 januari 1862: 'Another girl burnt to death through crinoline'. Door een kaars vat haar crinoline vlam en de vrouw overleeft de verwondingen niet.ns3:AHMTextsAuthor
_:Onderkleding bepaalt het silhouet van wijde rokken en smalle tailles. Dames dragen een hemd en een pantalette (onderbroek) met broekspijpjes met een kantje. Over het hemd draagt men een korset om de taille smaller te doen lijken en de buste omhoog te duwen. De hoepelrok wordt over een sluike katoenen onderrok gedragen. Over de hoepelrok komt vervolgens een tweede onderrok, waarover tenslotte de bovenkleding. Al met al is het een kunst geworden om je op een natuurlijke manier voort te bewegen. Ook onder deze japon is een crinoline gedragen. De japon bestaat uit een rok, een daglijfje en een bolerolijfje. Deze werden niet gelijktijdig gedragen. Het bolerolijfje hoort met een batisten blouse gecombineerd te worden en is voor het informele buitenleven bestemd. De crinoline is een geliefd onderwerp om de spot mee te drijven. De enorme omvang van de rokken zorgt regelmatig voor bewegingsproblemen in huis of in openbare gelegenheden. Kritiek is er ook; het gevaar bij openhaarden en kaarsen is groot. In kranten is regelmatig melding gemaakt van slachtoffers die de crinoline maakte. In de zestiger jaren van de negentiende eeuw zorgt een grote brand in de kathedraal van Santiago voor tweeduizend slachtoffers. De brand is veroorzaakt door een tule strook op een wijde japon die in aanraking is gekomen met een van de kaarsen. Een ander voorval meldt de Ierse krant Clare Journal and Ennis Advertiser op 6 januari 1862: 'Another girl burnt to death through crinoline'. Door een kaars vat haar crinoline vlam en de vrouw overleeft de verwondingen niet.ns3:AHMTextsAuthor
_:Ook het mannenpak verliest de versieringen als borduursels en kanten. Bij de donkere, sobere jas en broek wordt een licht vest en een wit hemd met een witte, omgeknoopte, das gedragen. Rond 1811 doet de pantalon zijn intrede, maar de kniebroek wordt nog wel gedragen bij ceremoniële gelegenheden. Terwijl elders in Europa al jarenlang lange broeken worden gedragen, blijft de kuitbroek in Nederland nog tot 1840 naast de pantalon bestaan. Het kapsel van de heren in deze periode is eenvoudig kort en krullend, met lange bakkebaarden.ns3:AHMTextsAuthor
_:Ook het mannenpak verliest de versieringen als borduursels en kanten. Bij de donkere, sobere jas en broek wordt een licht vest en een wit hemd met een witte, omgeknoopte, das gedragen. Rond 1811 doet de pantalon zijn intrede, maar de kniebroek wordt nog wel gedragen bij ceremoniële gelegenheden. Terwijl elders in Europa al jarenlang lange broeken worden gedragen, blijft de kuitbroek in Nederland nog tot 1840 naast de pantalon bestaan. Het kapsel van de heren in deze periode is eenvoudig kort en krullend, met lange bakkebaarden.ns3:AHMTextsAuthor
_:Ook het mannenpak verliest de versieringen als borduursels en kanten. Bij de donkere, sobere jas en broek wordt een licht vest en een wit hemd met een witte, omgeknoopte, das gedragen. Rond 1811 doet de pantalon zijn intrede, maar de kniebroek wordt nog wel gedragen bij ceremoniële gelegenheden. Terwijl elders in Europa al jarenlang lange broeken worden gedragen, blijft de kuitbroek in Nederland nog tot 1840 naast de pantalon bestaan. Het kapsel van de heren in deze periode is eenvoudig kort en krullend, met lange bakkebaarden.ns3:AHMTextsAuthor
_:Ook in Nederland wordt de galajapon, de grande parure, zoals deze achttiende-eeuwse Franse hofkleding wordt genoemd, gedragen. Bij zeer bijzondere gelegenheden bestelden Nederlandse dames hun japonnen rechtstreeks in Parijs. De grande parure bestaat uit een ingesnoerd lijfje - dat zorgt voor een rechte houding, smalle taille en fraai decolleté - met aan weerszijden vanuit de taille twee verbredingen in de rok, steunend op paniers. Kanten stroken langs hals, decolleté en mouwen maken het geheel af. Deze galakleding was niet bestemd voor het dagelijkse leven. Dan werd een halve of kleine parure gedragen die minder breed is. In huis werd ook wel een jak en rok gedragen. De overjapon is in buitengewoon goede staat. De kleuren van het borduursel zijn helder en fris gebleven en het model van de japon is in oorspronkelijke staat gehandhaafd. Rok en overjapon waren doorgaans van dezelfde stof. De originele rok ontbreekt. In de collectie van Musée Les Arts Décoratifs in Parijs bevindt zich een complete galajapon met een zelfde model en vergelijkbare decoratie. Decoratiepatronen zijn zelden uniek. Zelfde versieringen zijn op verschillende japonnen toegepast. De patronen zijn op zijde geborduurd en de bewerkte stof is vervolgens door heel Europa verspreid. Of de japon uit het Amsterdams Historisch Museum in Frankrijk is gekocht of dat deze in Nederland naar Frans voorbeeld is geborduurd, is onbekend. Ook over de herkomst is veel onduidelijk. Lange tijd is aangenomen dat deze japon uit het legaat van mevrouw S.L.G. Willet-Holthuysen (1895) afkomstig is. In de boedelinventaris is echter een dergelijke japon niet omschreven.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de beker een medaillon gevormd door bladwerk, vruchten, halffiguren, maskers en leeuwenkoppen, waarin het stadsprofiel van Amsterdam gezien vanaf het IJ en het opschrift: AMSTERDAM/, het gekroonde stadswapen en het koggeschip met engelen. Twee niet ge‹dentificeerde familiewapens op andere zijde beker en op onderzijde bodem.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de beker een medaillon met een bierpul en het stadswapen van Amsterdam. In tekstlint het opschrift: HEINEKEN/. Boven medaillon: AMSTERDAM 700 JAAR/. Onder medaillon: *1975*/. Het glas is vervaardigd ter gelegenheid van het 700-jarig bestaan van Amsterdam in 1975.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de beker het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam, gezien vanaf het Frederiksplein. Aan weerszijden gestileerde bladranken. Onder voorstelling het opschrift: AMSTERDAM./ HET PALEIS VOOR VOLKSVLIJT/. De beker is een souvenirglas. Welke prent de glasgraveur als voorbeeld heeft gebruikt is niet bekend. Het in 1864 ingewijde Paleis voor Volksvlijt diende voor het houden van tentoonstellingen op het gebied van de nationale nijverheid en handel. Het gebouw, een ontwerp van architect Cornelis Outshoorn (1812-1864), was een gedurfde constructie van ijzer en glas. In 1929 brandde het tot de grond toe af.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de beker het gekroonde stadswapen van Utrecht en bloem- en bladranken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de beker het opschrift: Gemeentevervoerbedrijf/ Amsterdam/ in het/ Scheepvaarthuis/ 16-09-'83/. Hierboven het beeldmerk van het Gemeentevervoerbedrijf en eronder een afbeelding van het Scheepvaarthuis.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de beker in bladgoud op rode lak een medaillon met een niet ge‹dentificeerd familiewapen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de beker is een papier geplakt van later datum met het opschrift: Recovered circa 1827 from the Hold of the ''Amsterdam'' a Dutch East Indiaman Wh[ich] foundered at Butverhythe nr Hastings - in 1754/. Volgens het opschrift is het glas afkomstig van de Amsterdam, een Oostindi‰vaarder die in 1754 ter hoogte van Hastings verging.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de beker, binnen goud omrand rechthoekig veld een gezicht op het Koninklijk Paleis op de Dam. Hieronder in vergulde letters het opschrift: Het Palleis [sic] in Amsterdam./. Op andere zijde beker een vergulde lier.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles druivenranken met pauwen en andere vogels. Boven halsrand een verguld metalen ring met oog.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een gestempeld glaszegel met het portret van stadhouder Willem III op jonge leeftijd en het randschrift: VIVAT.DE.PRINCE.VAN ORANGIEN/. Het zegel heeft betrekking op Willem III (1650-1702), stadhouder van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en koning van Engeland.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM/ ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Op voorzijde lichaam een etiket met rode en zwarte opdruk van een dominosteen en het opschrift: OUDE/ GENEVER / 1 OM 5/ VAN ZUYLEKOM ANNO 1684/ AMSTERDAM/. Gemerkt met ster op onderzijde bodem. Het opschrift '1 om 5' op het etiket refereert aan het nemen van één glaasje jenever om vijf uur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles een zegel van gele lak. Op de zegel een monogram van de Amsterdamse kamer van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Replica van een wijnfles uit het schip Amsterdam (1749) van de VOC, verpakt in een houten kistje en gevuld met wijn (Monbazillac). De replica is gemaakt in opdracht van de Stichting VOC-schip 'Amsterdam' in samenwerking met de producenten van Monbazillac (Frankrijk).ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de fles in reliëf een koe, waaronder het opschrift: T 83/. Op andere zijde een cirkel waarin een rozet. Rond cirkel het opschrift: INDUSTRIE/ HOLLAND/. In de fles een restant van een glazen buisje met mondstuk. Wellicht stak het buisje oorspronkelijk door de kurk, waarmee het de functie van een drinkrietje kan hebben gehad.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kan vogel, bloem- en bladranken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de karaf een gezicht op de County Hall te Londen, schepen op de Thames en het opschrift: LONDON - 1973 - AMSTERDAM/. Op de onderzijde van de bodem het ingekraste modelnummer: orrefors H24.95-121. Gesigneerd en gedateerd op zijkant lichaam: P. Dreiser 72/. Platte, rechthoekige stop met het stadswapen van Londen; op onderzijde het cijfer: 10/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk Minerva met lans en schild, een uil en het randschrift: T WELVAREN VAN DE STUDIE/. De zilveren voet is een latere vervanging van de oorspronkelijke glazen voet.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk de buitenplaats Meer en Berg met gracht, voliŠre, grazend vee, eendenvijver, jager en konijnen in een duinlandschap. Rondom bovenzijde kelk het opschrift: 'T GROEYEN EN BLOEYEN VAN MEER EN BERG/. Pieter Theodorus van Hoorn (1774-1842) verwierf omstreeks 1804 de buitenplaats Meer en Berg nabij Bloemendaal. Zijn erfgenamen verkochten het goed in 1842 aan Provinciale Staten, die er een krankzinnigengesticht vestigden.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk de plantage De Standvastigheid in Suriname. Op voorgrond zakken en vaten met handelswaar waarop de initialen: I.G.W./ (Jan Gerhard Wichers) en de afkorting: PLS/ (Plantage De Standvastigheid). Op andere zijde het opschrift: HET WELVAAREN/ VAN HET SCHIP & DE PLANTAGIE/ DE STANDVASTIGHEID/. Jan Gerhard Wichers (1745-1808) was van ca 1775 tot 1784 Eerste Raad-Fiscaal van Suriname en van 1784 tot 1790 Gouverneur-Generaal van deze kolonie. Hij was tevens eigenaar van de plantage De Standvastigheid, gelegen boven het kanaal van Taoeripa aan de kreek Mattapica. Op 14 juni 1790 vertrok Wichers op het fregatschip De Standvastigheid naar Holland.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk de portretten van koning Willem I en zijn echtgenote prinses Wilhelmina van Pruisen. Op de andere zijde het wapen van Nederland met twee leeuwen en geflankeerd door de spreuk: Je maintiendrai./ (Ik zal handhaven). Boven het wapen twee takken met oranjeappels. Gesigneerd en gedateerd op voetrand: A. Hoevenaar 1819/. Voor welke gelegenheid het glas werd vervaardigd is niet bekend. Willem Frederik, prins van Oranje Nassau (1772-1843), koning Willem I der Nederlanden (1815-1840), huwde in 1791 Wilhelmina Frederika Louise von Hohenzollern (1774-1837), prinses van Pruisen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een aan tafel gezeten paar, de dame het glas heffend. Links een staande heer, aan weerszijden een mand met bloemen. Op de andere zijde het opschrift: ALLO EEN GLASYN/ VAN VRIND SCHAP/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een bijenkorf, het embleem van de Stadsschouwburg te Amsterdam, omgeven door twee gestrikte egelantiertakken. Op de andere zijde het opschrift: APOLLOOS TEMPEL/. De gravering is waarschijnlijk vervaardigd in opdracht van het bestuur van de Stadsschouwburg, dat werd gevormd door de gezamenlijke regenten van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis en het Burgerweeshuis. Beide liefdadige instellingen voerden het beheer over de schouwburg en kregen een deel van de inkomsten.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een bisschop met mijter, staf en boek, waaronder het opschrift: St NICOLAAS/. Aan weerszijden de vier familiewapens van de regenten van het Leprozenhuis. Op de andere zijde van de kelk een leprozenklepper, het symbool van het gesticht, met daaronder een collecteschaal. Op de deksel tussen bloemkransen dezelfde familiewapens, het stadswapen van Amsterdam en het koggeschip. Niet bijpassende voet en stam met loden reparatie van later datum. Sint Nicolaas was beschermheilige van Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een bladerkrans waarin het opschrift: UTINAM/ SIC SEMPER/ (Opdat het altijd zo zal zijn). Op de andere zijde twee in klassieke dracht geklede vrouwenfiguren, die elkaar de hand reiken. Beiden dragen bladerkransen op het hoofd; de rechter figuur is gevleugeld en houdt een speer in haar linkerhand. Het Latijnse opschrift duidt op de vriendschap tussen de leden van de Saturdagse krans. De spreuk komt voor (in Roemer Visschers 'Sinnepoppen' 1614) als lofprijzing op een tijd van vrede en rust. Het glas is vermoedelijk al v¢¢r 1765 gebroken, omdat toen twee nieuwe glazen werden gekocht. Een aantekening van zaterdag 2 april 1785 vermeldt 'een groote kas [=cassette] daarin een stukkend Bocaal'. Met de kas wordt de bijbehorende foedraal bedoeld, die met het glas bewaard bleef. Op de foedraal staat het opschrift: Van de Saturdagse Crans/. De ontbrekende voet en stam zijn in perspex gereconstrueerd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een boom met aan weerszijden een kleine tak. In boomtop een hoed met wapperende linten. Onder kelkrand het opschrift: :VRYHEID: GELYKHEID: EN: BROEDERSCHAP:,/. Op kelk het opschrift: :EERSTE: VRYHYTS:/ :BOOM: GEPLANT:/ :IN: AMSTERDAM:/:D' 19 IANUARI:/ A:o 1795:/. Het glas memoreert de revolutiedagen van 1795 in Amsterdam. Op 19 januari van dat jaar werd het Franse 'bevrijdingsleger' met gejuich binnengehaald. Men hakte in de Watergraafsmeer een dennenboom om en plantte deze als Vrijheidsboom op de Dam. Omdat de boom door de strenge vorst niet in de grond kon worden verankerd, gebeurde dit met behulp van touwen en gewichten.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een brandslangwagen met bijbehorende attributen en het getal: 28/. Op de andere zijde een wapenschild met Malthezer kruis. Op kelk het opschrift: JACOB VAN LUNTEREN ALS BRANTMEESTER/ VAN DE WYK 28. Ao 1726./. Het glas verwijst naar Jacob van Lunteren (ca 1690-1772), brandmeester van wijk 28 te Amsterdam. Wijk 28 werd begrensd door de Binnen Amstel, Singel, Koningsplein, Reguliersdwarsstraat, Botermarkt en Amstelstraat.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een chinoiserie voorstelling met links een man die aan een bloem ruikt. Rechts staant een vrouw met hoed met belletjes bij een sokkel waarop een vaas met bladertakken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een dansend mannetje en het opschrift: Hansie inde kelder/. Kelkglazen als deze kwamen veelvuldig voor in de achttiende eeuw. Een dronk uit dit feestelijke glas was om een zwangerschap aan te kondigen. De naam Hans was vrij algemeen en kon zowel op een ongeboren jongetje als een meisje van toepassing zijn. Met de kelder werd symbolisch de moederschoot bedoeld. In de late achttiende eeuw verloor dit type drinkglas gaandeweg zijn populariteit.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een door bladranken omgeven medaillon waarin een sokkel met duif in een stralenkrans, het embleem van het Burgerweeshuis, vastgehouden door een weesmeisje en -jongen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een door bladranken omkranst medaillon, waarin een vlammend hart, symbool van de huwelijkse trouw.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een door bladranken omsloten medaillon, waarin het opschrift: SANS-SOUCI./ (Zonder zorg). Het Amsterdamse genootschap Sans-Souci bestond van 1821 tot 1914. Vanaf 1862 kwam men bijeen in het zogeheten Loterijhuis, Dam 12, Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een gekroond dubbel medaillon waarin respectievelijk het stadswapen van Amsterdam en een duif, het symbool van het Burgerweeshuis. Aan weerszijden een weesmeisje en -jongen. Onder kelkrand het opschrift: HET WELWEESEN VAN 'T BURGER WEES HUYS/. Scherf uit voet, aangevuld met perspex.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een gekroond medaillon met een slang rond een spatel met geneeskrachtig kruid: het embleem van het Collegium Medicum. Op de andere zijde het opschrift: HET WELZYN VAN 'T COLLEGIUM MEDICUM./. Gesigneerd en gedateerd op voet in diamantgravure: Jacob Sang, Fec: Amsterdam 1757, /.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een gekroond medaillon met het stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen. Op de andere zijde het opschrift: 'T = WELZYN VAN DE REGEERING DER STAD AMSTELDAM =/. Gesigneerd en gedateerd op voet in diamantgravure: Jacob Sang, fec= Amsterdam 1757,/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een gekroond medaillon waarin het wapen van de familie Hooft. Op de andere zijde het opschrift: HET WELVAAREN.VAN 'T.VELTHOEN./. Gesigneerd onder wapen: I: SANG:/. Hofstede 't Velthoen was gelegen aan de Utrechtse trekvaart tussen Baambrugge en Loenersloot. Hendrik Hooft (1710-1801), zoon van burgemeester Gerrit Hooft, kocht 't Velthoen in 1754. Hij breidde deze buitenplaats in 1755 aanzienlijk uit door aankoop van de naastgelegen hofstede Weissenburg.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een gekroond schild met het wapen van de Republiek der Zeven Verenigde Provinci‰n. Achter het schild twee gekruiste ankers en de initialen: A/ A/, de Admiraliteit van Amsterdam. De voorstelling wordt omheind door een gesloten hek, de Hollandse Tuin symboliserend. Op andere zijde het opschrift: DE HEERE VAN DE ADMERALETYD/. De marine van de Republiek der Zeven Verenigde Provinci‰n telde vijf admiraliteiten of zeeraden. Twee voor Holland (Amsterdam en Rotterdam), het Noorderkwartier, Zeeland en Friesland. De colleges waren belast met alle zeetaken. Een belangrijke taak was de bescherming van de koopvaardij. De Admiraliteit van Amsterdam vergaderde vanaf zijn instelling in 1597 tot de opheffing in 1795 in het Prinsenhof aan de Oudezijds Voorburgwal.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een gekroond wapenschild met twee gekruiste ankers en de initialen: A/ A/, de Admiraliteit van Amsterdam. Aan weerszijden krijgstrofee‰n. De marine van de Republiek der Zeven Verenigde Provinci‰n telde vijf admiraliteiten of zeeraden. Twee voor Holland (Amsterdam en Rotterdam), het Noorderkwartier, Zeeland en Friesland. De colleges waren belast met alle zeetaken. Een belangrijke taak was de bescherming van de koopvaardij. De Admiraliteit van Amsterdam vergaderde vanaf zijn instelling in 1597 tot de opheffing in 1795 in het Prinsenhof aan de Oudezijds Voorburgwal.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een gekroonde tweekoppige adelaar met een niet ge‹dentificeerd wapen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een graftombe met familiewapen, putti met een gedoofde levensfakkel en een lauwerkrans en het opschrift: OBIIT/ VINOVB:/ MDCCLXXI/ (Hij is gestorven 6 november 1771). Hieronder twee treurende putti naast een sarcofaag waaronder het opschrift: P M/ H.NOORDKERKII/ S/ (ter zaliger gedachtenis H. Noordkerk welzijn). en: WIE KUNDE EN OORDEEL HOOG WAARDEERT,/ EEN 'DEUGDZAAM' RECHTSGELEERDEN EERT,/ GEEN'TWIST UIT BAATZUCHT AAN WIL KWEEKEN,/ ZAL STEEDS MET LOF VAN NOORDKERK SPREEKEN./. Hermanus Noordkerk (1702-1771) stamde uit een familie van lutherse predikanten. Hij was hij een beroemd rechtsgeleerde en een fameus pleiter; hij werd dan ook wel 'de Amsterdamse Cicero' genoemd. Vanwege zijn lutherse godsdienst kon hij geen regeringsambten bekleden, maar hij werd door het stadsbestuur bij velerlei gelegenheden geraadpleegd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een hoorn des overvloeds, bloemen en een medaillon waarin het stadswapen van Amsterdam. Op de andere zijde het opschrift: DE HEEREN OPPER REGENTEN/ VERDEDIGERS DER LIEVE VRYHEYD/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een kraamkamer met kraamvrouw in bed, een baker met een wieg, een vuurmand en een tafel waarop twee dekselbekers en een schaaltje met lekkernijen. Boven de voorstelling een tekstlint met het opschrift: T. WELVAAREN. VAN DE KRAAM VROUW./.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een kuiper, bezig met de vervaardiging van een wijnvat. Rechts drie vaten en een man die wijn schenkt in een glas. De voorstelling is omsloten door rijke ornamenten met links een zittend, drinkend paar en rechts een staand paar op een bordes. Op andere zijde het opschrift: Vivat. De/ Wijnkoopereij/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon met de Bodega Oporto aan het Damrak te Amsterdam. Op de gevel van boven naar beneden de opschriften: BODEGA/ ,,OPORTO"/ HOOGENDYK. PORTWYNEN/ 92 BODEGA OPORTO 92/. Rondom medaillon het randschift: BODEGA ,,OPORTO" AMSTERDAM/ 1902.1927/. Het glas is vervaardigd ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de Bodega Oporto, van 1902 tot 1963 gevestigd aan het Damrak 92.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon met een boom. Hierboven het opschrift: immer zeitig/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon met een vrouw met een anker: de Hoop en het opschrift: De Hoope der Rechtvaardigen is blydschap, maar de verwachtinge der Godloozen zal vergaan./ Salomon Spreuk X:28./. Op de andere zijde kelk: De bl˜de Hoop die 't oog ten hoogen Hemel slaat,/ Zit welgetroost en sch˜nt vol heilige gedachten,/ Daar 't r˜kbebloemde Kleed en 't Groene hoofdsieraad/ Ons leert, dat ze uit de bloem de vruchten kan verwachten./ Door 't Anker w˜st z˜ elk haar vasten grondsteun aan,/ Wanneer in 's Waarelds Zee, verdrukkings-golven/ Slaan./. Gesigneerd en gedateerd: N.L. Hoevenaar. Fezet [sic] 1849/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon met palmtakken, guirlandes en gekruiste pistolen waarin het opschrift: het Welvaaren / van de/ kru˜tmaaker˜/. Op de andere zijde eenzelfde medaillon waarin een kruitmolen met kollergang, bediend door een man met een paard. Mr Quirijn Willem van Hoorn (1730-1797) bekleedde verschillende bestuursfuncties in Amsterdam, waaronder diverse malen het burgemeesterschap. Van Hoorn bezat kruitmakerijen aan de Vecht en aan de Amstel.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon waarin een bijenkorf met bijen op een voetstuk, het embleem van het genootschap Felix Meritis. Op voetstuk: V7/. Boven voorstelling: FELIX MERITIS/ (Gelukkig door Verdiensten). Onder voorstelling: A. Fokke simonsz/ Lidt der Maat,,/ schappy./ Op andere zijde kelk: Wie door verdiensten zig, met recht,/ gelukkig ziet,/ Der Musen, Pallas en Mercuur, zyn/ hulde biedt;/ Zette, onbezorgd, den voet op deez'/ doorlugten drempel:/ En offere aan elke kunst hier, in heur/ eigen Tempel:/ Terwyl dit huis weergalmt, van der/ Camoenen toon/ Verheug't zig in de vlyt van 't kroost/ van Maja's Zoon;/ Op dat de godheid, die, weleer,/ Atheen verlichtte,/ In deeze onze Amstelstad een/ vasten zetel stichte!/. Het glas is gesigneerd op voetrand: A Hoevenaar/ en opgedragen aan Arend Fokke Simonsz. (1755-1812), uitgever en publicist te Amsterdam en lid van het letterkundig departement der maatschappij Felix Meritis, een geleerd genootschap dat van 1777 tot 1888 bestond. Wellicht kreeg Fokke, die regelmatig voordrachten voor medeleden hield, het glas van een bewonderaar ten geschenke. Mogelijk was de schenker Willem Writs (1732-1786), een der oprichters van Felix en het zevende lid van Departement V, dat der Letterkunde. V7 kan ook verwijzen naar de vrijmetselarij of de Zeven Vrije Kunsten, de Artes Liberales.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon waarin een figuur met veren, uilenkop en vleugels. Mogelijk gaat de voorstelling terug op een verhaal uit Ovidius' Metamorfosen (boek 5: 543) waarin het jongetje Ascalaphus door Prosperpina, koningin van de onderwereld, in een uilachtig wezen wordt veranderd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon waarin een oude man met stok, ondersteund door een weesmeisje, respectievelijk het Oudemannenhuis en het Burgerweeshuis symboliserend. De regenten van het Burgerweeshuis en het Oudemannen- en Vrouwenhuis voerden gezamenlijk het beheer over de Stadsschouwburg. Beide instellingen kregen een deel van de inkomsten van de schouwburg.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon waarin een zeilende driemaster. Aan weerszijden bloem- en bladranken. Boven medaillon het opschrift: HET LANDS WEEL VAAREN/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon waarin het familiewapen van mr Lieve Geelvinck. Links hiervan Vrouwe Justitia, een hond met een hartvormige sleutel (Gerechtigheid), een bazuin blazende putto (Trouw en Liefde) en een putto met een roedenbundel waarop het stadswapen van Amsterdam (Triomf en Macht). Rechts een putto met spiegel: De Voorzichtigheid. Op de andere zijde zeilende en voor anker liggende driemasters. Op de voorgrond een scheepsroer met het monogram: VOC/ (Verenigde Oost-Indische Compagnie). Mr Lieve Geelvinck (1676-1743) bekleedde verschillende bestuursfuncties in Amsterdam, waaronder diverse malen het burgemeesterschap. Van 1716 tot 1743 was hij bewindhebber der Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Mogelijk verbeeldt de gravering de eigenschappen van Geelvinck en de macht van Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon waarin het opschrift: DANIEL./ BOISSEVAIN./ NE LE 9. OCTOBRE/ 1804./. Het glas is vervaardigd ter gelegenheid van de geboorte van Daniel Boissevain (1804-1878), later ondermeer lid van de firma Gebr. Boissevain, commissionairs in effecten en mede-directeur van het Compagnieschap ter Assurantie te Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon waarin het portret van Hendrik Hooft Danielsz., burgemeester van Amsterdam. Op de andere zijde een rechthoekig schild in neo-classicstische stijl waarin het opschrift: Die uijt geen dwang/ Nog zelfs belang/ Syn sugt tot Vrijheid dooft/ die drinkt ter eer/ der braaven heer/ der burger vader/ HOOFT./. Burgemeester Hendrik Hooft Danielsz. was de meest Patriotsgezinde burgemeester in het Amsterdamse stadsbestuur in de jaren tachtig van de achttiende eeuw. Na het herstel van Oranje in 1787 moest hij vluchten. Hij overleed in Franse ballingschap in 1794.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon waarin het portret van keurvorst Frederik Willem van Brandenburg en het opschrift: Frederico Guijljelmo D.G./ Marchion brandenbur./ Elect. S.R. Imp. e.v./. Op de andere zijde een afgekapte boom met een ontspruitende jonge tak. De afgekapte boom waaruit jonge tak ontspruit staat symbool voor het voortleven van het geslacht Van Oranje. In dit geval door de geboorte van Willem III (1650-1702), een oomzegger van Frederik Willem (de grote keurvorst) van Brandenburg (1620-1688).ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een medaillon waarin twee harten en een vogel met een hart in snavel, waarboven in Russische letters het opschrift: E‚n is mij genoeg. De houten voet is een latere vervanging van de oorspronkelijke glazen voet en de stam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een niet ge‹dentificeerd wapen. Hierboven het opschrift: DER KIRCHEN:PAVERISCHEN WAPE./. Op de andere zijde een tweede, evenmin ge‹dentificeerd, wapen, waarboven het opschrift: DER ALTHOFISCHEN.WAPEN/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een niet ge‹dentificeerd wapenschild met het Gulden Vlies met een gekroonde tweekoppige adelaar.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een omlijsting met het wapen van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën, waarboven het opschrift: Concordia res parvae crescunt./ (Eenheid maakt het kleine machtig). Aan weerszijden een lauriertak met insecten. Op de andere zijde een krijgstrofee, met daarboven het opschrift: Pro Patria Libertate./ (Voor de vrijheid van het vaderland). Gesigneerd en gedateerd op schacht: WFS 1645/. De roemer is het vroegst gedateerde glas met een Nederlandse radgravure.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een ploegende boer en twee paarden in een landschap. Op de andere zijde een zeilende driemaster en het opschrift: T= Lans Weel Vaaren/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een putto met weegschaal en zwaard op een wolk: symbool voor de Gerechtigheid. Hierboven een tekstlint met het opschrift: IUSTIT’/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een rechthoekig schild met het opschrift: A son/ M‚decin et Ami/ A Willet/ Souvenir/ de/ reconnaissance./ P.J.L.H./. Op de andere zijde in rond schild de datering: 1844/ Avril/ 3./. Wie het glas aan Abraham Willet schonk is niet bekend. Mogelijk verwijzen de initialen naar een lid van de familie Holthuysen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een rechthoekig veld in neo-classicistische stijl waarin het interieur van een kuiperij met kuiper en twee gezellen. Onder voorstelling een tekstlint met het opschrift: ZO 'T NIET SLUIT, HET LEKT ER UIT./. Op de andere zijde het gehelmde wapen van de familie Menssendijk, waaronder het opschrift: HET WELVAAREN VAN DE KUIPEREY./. Gesigneerd in raamkozijn: BVK/. De familie Menssendijk was een oud kuipersgeslacht dat gedurende de gehele 18de eeuw in Amsterdam voorkwam. De kuiper links op de voorgrond en het devies onder de voorstelling zijn ontleend aan de prent 'De Kuiper' door Jan Luyken (1649-1712).ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een rozet omgeven door de wapens van de Republiek der Zeven Verenigde Provinci‰n onder een baldakijn.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een tekstlint met het opschrift: LANG BLOEI DE SOCIETEIT/. Hieronder een lauwerkrans waarin het opschrift: DE ZUCHT VOOR 'T/ VORSTLYK HUIS, VOOR KERK/ EN VADERLAND,/ IS HIER HET SCHIBBOLETH,/ DE STALEN LIEFDEBAND,/ AMSTERDAM, 1 April/ 1788./. Het glas is vervaardigd ter gelegenheid van de oprichting van het genootschap De Zucht voor het Vorst'lijk Huis, voor Kerk en Vaderland, Is hier het Schibboleth en stalen Liefde-bandt. Het oranjegezinde genootschap werd opgeheven in 1795.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een tredende haan op een hen en het opschrift: Pax, Optima rerum./ Vivat Collegium/. (Vrede is het hoogste goed. Leve het College). Gesigneerd en gedateerd op onderzijde van de voet: H. Bagh 16-10-1776/ en een afbeelding van een boompje. In de achttiende eeuw was een erotische voorstelling als deze vrij algemeen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een trekschuit met de opschriften: Dieu le/ Protege/ (dat God [het schip] bescherme), 6 Fevr.1809/, GHC/. Aan weerszijden van de trekschuit trofee‰n met vaarmaterieel waarboven het stadswapen van Amsterdam en van Utrecht. Op andere zijde het opschrift: Geluk! mijn Vriend met desen stond!/ Gy zaagt het nieuwe Jagt zo straks/ in t' water loopen.-/ 't genoegen dat elk ondervond./ Doet voor U 't lang gebruik van desen/ Nieuwling hopen./ Zyn maker was de RYK zo RYK in weten-/ schap/ 't geen steeds RYK van trap/ tot trap/ Tot heil van uw geslagt en vreugde/ van uw Vrinden./ VBS./ Gesigneerd en gedateerd: A. Hoevenaar 1809./.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een vrouwenfiguur en putti die een mand met broden en krakelingen uitdelen. Zij symboliseren de Weldadigheid en de brooduitdeling aan de behoeftigen. Op vier broden de initialen HS. Hierboven een bazuin blazende putto met korenschoven. Op andere zijde zes gekroonde familiewapens van de regenten van het Nieuwezijds Huiszittenhuis. De letters HS op de broden verwijzen naar het Huiszitten Aalmoezeniershuis. Er waren in de zeventiende en achttiende eeuw twee Huiszittenhuizen: stedelijke kantoren die steun verleenden aan buiten instellingen verblijvende behoeftigen. E‚n was gevestigd aan de Oude Zijde en ‚‚n aan de Nieuwe Zijde van de stad. De bijstand bestond uit uitdelingen van brood, boter, kaas en turf.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een zeilende driemaster met vlag waarop de letters: VOC/ (Verenigde Oost-Indische Compagnie) en een boom met links Neptunus met drietand, schelp en watervat en rechts Mercurius met staf. Hierboven het opschrift: .T. WELVAAREN. VAN. DE. GOEDE. NEGOTIE./.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een zeilende driemaster met vlag, waarop het monogram: VOC/ (Verenigde Oost-Indische Compagnie). Op de andere zijde een bladerkrans waarin het monogram: VOC/. Hierboven het opschrift: HET WELVAREN VAN 'T SCHIP ADMIRAAL DE RUYTER/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een zeilende driemaster waarboven het opschrift: SALUS PATRI’/ (De voorspoed van het vaderland).ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een zeilende driemaster, aan weerszijden waarvan een bloemtakje. Op de andere zijde het opschrift: HET-WEL-VAREN -VAN/ WEST-ZAANDAM-/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een zeilende driemaster, twee gebouwen en het opschrift: HET=WEL=VAAREN=VAN= DEESEN=BOODEN/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk een zeilende driemaster. Op de andere zijde een gekroond schild waarin het monogram: VOC/ (Verenigde Oost-Indische Compagnie).ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het alliantiewapen Alewijn-Van Hoorn in een omlijsting, met daarboven een gravenkroon. Op de andere zijde een tekstlint met het opschrift: NOORD WOLFS BERGEN/. De buitenplaats Noord Wolfsbergen was gelegen te 's-Graveland. Mr Abraham Alewijn (1707-1755), een vooraanstaand Amsterdams regent, bezat het buiten in de eerste helft van de achttiende eeuw. Van 1738 tot 1750 was Alewijn hoofdingeland van 's-Graveland. Op 31 mei 1729 huwde hij Jacoba Anna van Hoorn (1707-1767). Noord Wolfsbergen bleef tot 1818 in het bezit van de familie Alewijn. In de eerste helft van de negentiende eeuw is het huis afgebroken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het beeldmerk van de Kamer van Koophandel en Fabrieken Amsterdam, samengesteld uit het stadswapen van Amsterdam, omgeven door fabrieken, een schip, tandraderen en een korenaar. Rondom beeldmerk het opschrift: .KAMER VAN. KOOPHANDEL. EN FABRIEKEN. AMSTERDAM/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het embleem van het Collegium Medicum en het gekroonde stadswapen van Amsterdam met het opschrift: COLLEGIUM./ MEDICUM./. Onder medaillon het jaartal: MDCCXCIV=/. Aan weerszijden van het embleem elk drie familiewapens van de Inspectores van het Collegium met de namen en jaartallen: DR. A= BONN./ 1789./ D=N= VAN DER EEM./ 1794./ D=H= POST./ 1794./ I= FRESCARODE./ 1788./ DR. F=E= WILLET./ 1791./ DR. H=G= OOSTERDIJK./ 1779./. De jaartallen geven het jaar van de aanstelling van de Inspectores (inspecteurs) aan.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het familiewapen van Hendrik Hooft Gerritsz. Op de andere zijde een schild waarin het monogram: GWC/ (Geoctrooieerde West-Indische Compagnie). Hierboven het opschrift: DE HEER EN MR HK HOOFT GERRITS. TOT BEWINDHR GEELIGEERT, 1772./. Hendrik Hooft Gerritsz. (1710-1801) was een oranjegezind regent. Hij begon zijn carriŠre als schepen in de Amsterdamse stadsregering in 1748. Het glas is vervaardigd ter gelegenheid van zijn benoeming tot bewindhebber van de West-Indische Compagnie in 1772.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het gekroonde stadswapen van Amsterdam en het opschrift: De goede Regering van Amsterdam/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het gekroonde stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het gekroonde stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen. Op de andere zijde een driemaster zonder bovenste mastdelen en tuigage. Onder kelkrand het opschrift: D.GOEDE REGERING VAN AMSTERDAM./.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het gekroonde stadswapen van Amsterdam, geflankeerd door krijgstrofee‰n. Hieronder het opschrift: WYK 24/. Boven het wapen: den 11 Sept, 1786/. Op andere zijde: Doe 't Volk van Hogendorp/ hier had bij Dag de/ Wagt/ heb ik met diamant/ dit op dit Glas/ gebragt/ IB/. Mr Diederik Johan Francois van Hogendorp (1754-1803) werd in 1777 kapitein van Wijk 24. Hij had het oppercommando toen Amsterdam in 1787 door de Pruisen werd aangevallen. Wijk 24 werd begrensd door Nieuwezijds Voorburgwal (Pijpenmarkt), Jonge Roelensteeg, Papenbroeksteeg, Beurssteeg en Dam. Vlak voor (de op het glas vermelde datum) 11 september, besloot het stadsbestuur dat vanwege de politieke onrust voortaan ook overdag wacht gelopen moest worden.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het gekroonde stadswapen van Amsterdam. Op de andere zijde het opschrift: VIVE L' UNION/ (Leve de eendracht).ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het gekroonde wapen van de familie Fabricius. Op andere zijde een bladerkrans waarin het opschrift: HET WELVAAREN/ VAN DE-/ WijK. 57./ DEN 28 DECEMBER/ 1787-/. Het glas verwijst naar Adriaan Cornelis Fabricius (1767-1847), in 1787 tot kapitein der burgerwacht te Amsterdam benoemd. Wijk 57 werd begrensd door Reguliersdwarsstraat, Vijzelstraat, Vijzelgracht, Lijnbaansgracht, Spiegelgracht en Nieuwe Spiegelstraat.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het gekroonde wapen van de provincie Holland met twee leeuwen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het gekroonde wapen van het Verenigd Koninkrijk met een leeuw en een eenhoorn. Rondom wapen het devies: HONI. S[OIT] [QUE] MAL Y. PENSE./ (Schande over hem die er kwaad van denkt). Onder wapen in twee tekstlinten de opschriften: DIEU ET MON DROIT/ (God en mjn recht) en: 1952 SILVER JUBILEE 1977/. Gemerkt onder voet: WEDGWOOD/ ENGLAND/. Het glas is vervaardigd ter gelegenheid van het 25-jarig regeringsjubileum van koningin Elaisabeth II van Engeland (geb. 1926) in 1977.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het gekroonde wapen van prinses Anna van Hannover met een gekroonde leeuw en een eenhoorn. Prinses Anna van Hannover (1709-1759) was de echtgenote van stadhouder prins Willem IV van Oranje-Nassau (1711-1751).ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het gekroonde wapen van prinses Anna van Hannover met een leeuw en een eenhoorn. Prinses Anna van Hannover (1709-1759) was de echtgenote van stadhouder prins Willem IV van Oranje-Nassau (1711-1751).ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het monogram: GWC (Geoctrooieerde West-Indische Compagnie). Op de andere zijde een zeilende driemaster.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: 't welvaren van de Heeren Zeep Sieders/. De zeepziederij was al in de zestiende eeuw een bloeiende bedrijfstak in Amsterdam. Johannes Woltman was in de achttiende eeuw eigenaar van de zeepziederij De Vergulde Hand in de Sint Jacobskapelsteeg bij het Damrak.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: BICKER & MODDERMAN/ 1 JAN./ 1824-1924/ AMSTERDAM/. Het glas is vervaardig ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de firma Bicker & Modderman, wijnhandelaren gevestigd aan de Nieuwe Prinsengracht 41 te Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: Behoud het goede./. Gesigneerd en gedateerd: W. Van Heemskerk Ao 1682./.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: Den jongen heer Cornelis Backer: soon van den ouden heer Willem Backer, burger-meester en presedent van Amsterdam heeft den eersten steen aen Toorn van Nieuwe Kerk geleyt den 6/26/1647/. Op andere zijde het opschrift: 74 voeten 't flothout vande nieuwe kerck/. Hieronder het heiplan van de toren, onderverdeeld in 63 genummerde vakken met vermelding van de benodigde aantallen masten, stoppen en oude palen. In het midden het opschrift: 19 Voet in vier/ kant/ masten 4593/ Stopend 1715/ Oude palen 55/ Samen 6363./. De roemer herdenkt de eerste steenlegging voor de toren van de Nieuwe Kerk te Amsterdam op 26 juni 1647. De diamantgravure van het heiplan is gebaseerd op een anonieme prent en toont een roosterfundering.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: Gesegent Raethu˜s pronck vant gantse Nederlant/ Soo heerelijck versien met mannen van verstant/ Daer vree. gerechtiche˜t. en eendragt vult de saalen/ en Godt sijn gunstich oogh soo rijcklijck in laet daalen/ 1655 Juljus 29/. Gesigneerd op kelk: V BUIL fecit/. De roemer is vervaardigd ter gelegenheid van de inwijding van het nieuwe stadhuis van Amsterdam op 29 juli 1655. Het glas behoort tot een zeldzame groep roemers waarvan de stam (of schacht) met rozetvormige noppen is bezet.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: HAAR EDELE AGTBAARHEDEN/. Het opschrift heeft betrekking op de titulatuur van de leden van de vroedschap van Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: HET WELVAREN VAN DE/ PRINSSE GRAFS BUERT./ 27-10-1771/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: HOC. POCULUM. DOCTORANDO. SACRUM./ (Deez' heilige doctorsbeker). Een ongedateerd, eigenhandig door mevrouw Lopez Suasso geschreven briefje vermeldt: 'een wijnglas met L.S. een geschenk toen de oude Heer Suasso Doctor gepromoveerd is, om de rand doctorandus'. Het bovenstaande heeft betrekking op Di‰go Lopez Suasso (1778-1859), haar schoonvader, die in 1809 promoveerde.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: MEVROVWE DE REGENTESSEN/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: NU STUST DE MAAGD/ VAN AMSTERDAM/ IN SCHADUW VAN/ ORANIE STAM./.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: T'.WELVAAREN.VAN DE TUCHT=HUYS MOOLEN./. De tuchthuismolen werd in 1656 gebouwd en stond aan de Overtoom bij de Kostverlorenvaart. Naast de molen is de pleziertuin met de koepel waar de regenten zich aan het water konden verpozen. De windvaan op de koepel met twee tuchtelingen die een stuk hardhout raspen, bevindt zich in het Amsterdams Historisch Museum. De molen was eigendom van het Rasp- of Mannentuchthuis aan de Heiligeweg. De gevangenen van deze strafinrichting moesten tropisch hardhout raspen, dat als grondstof diende voor de verfindustrie. Het Rasphuis bezat diverse molens waar het geraspte verfhout verder werd verwerkt. De houten voet is een latere vervanging van de oorspronkelijke glazen voet, vermoedelijk negentiende eeuws.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het opschrift: VIVAT/ DE PRINS VAN/ ORANIEN/ ONSE ERF/ STADTHOUDER/ en twee gestrikte takken met oranjeappeltjes. Het glas heeft betrekking op de verheffing van prins Willem IV (1711-1751) tot erfstadhouder van alle gewesten van de Republiek der Zeven Verenigde Provinci‰n in 1747.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het stadhuis op de Dam te Amsterdam, waarboven het opschrift: VIVAT DE REGERING VAN DEESEN HUYSE/. Op de andere zijde Vrouwe Justitia met zwaard, weegschaal en blinddoek. Met het glas bracht men in het roerige laatste decennium van het Tweede Stadhouderloze Tijdperk (1702-1747) een heildronk uit op de stadsregering van Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het stadswapen van Amsterdam op een document met zegel met twee allegorische vrouwenfiguren. Links een vrouw met spiegel en slang: de Voorzichtigheid. Op haar borst een door zonnestralen omkranst oog in een driehoek, het symbool van de Alziende God. De rechter figuur met pijlenbundel en granaatappel: de Eendracht. Voor de sokkel een staf, hoed en drietand, de attributen van de god van de handel (Mercurius) en de god van de zee (Neptunus). Onder de voorstelling het opschrift: NOUS MAINTIENDRONS LA CONCORDE ME SOUTIENDRA/ (laten wij handhaven de Eendracht zal mij schragen).ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het wapen van Nieuwer-Amstel met een zwaan met gespreide vleugels. Op de andere zijde het opschrift: S. Rendorp/ Dykgraaf/ 1871 = 12 Juli = 1896/. Op onderzijde bodem het etsstempel van de Rheinische Glashtte Ehrenfeld. Salomon Rendorp (1824-1903) stamde uit een oud Amsterdams geslacht van regenten, kooplieden en bierbrouwers. Vanaf 1871 bekleedde hij het ambt van dijkgraaf van het Heemraadschap van den Amstel en Nieuwe-Amstel. Het glas is vervaardigd ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum als dijkgraaf in 1896. Wellicht vermaakte Rendorps weduwe, mevrouw B.A.C.H. Rendorp-van Notten, het glas in 1910 aan jonkvrouwe Cornelia Henriette Backer, waarna het via haar in de Backer Stichting terecht is gekomen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het wapen van Pieter Ernst van Abcoude van Merthen, waaronder het wapen van zijn eerste echtgenote Machtilde van Wassenaer. Op de andere zijde het wapen van zijn tweede echtgenote Bregitta Rotgans. Tussen de wapens een putto en twee putti met druiventros en roemer, een allegorie op de wijn verbeeldend. Het huwelijk van de Utrechtse jonkheer Peter Ernst van Abcoude van Merthen (1619-1672) met Machtilde van Wassenaer (gest. 1654) vond plaats in 1639. In 1655 huwde hij zijn tweede vrouw, de schatrijke Amsterdamse Bregitta (Brechje) Rotgans (1627-1685). Het glas kan gedateerd worden tussen 1655 en 1685.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het wapen van de Bijlmermeer en het opschrift: T' WELVAAREN VAN DE BYLMERMEER./.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het wapen van de Soci‰teit van Suriname, met daarnaast twee indianen met pijl en boog. Boven wapen het opschrift: DE SOCIETEIT VAN SURINAME/. Het soci‰teitswapen is samengesteld uit drie onderdelen: het gekroonde stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen, een medaillon waarin een zeilende driemaster en het wapen van de familie Van Aerssen van Sommelsdijck. Tussen de twee onderste wapens een spiegelmonogram met letter E en een indiaan met pijl en boog. De West-Indische Compagnie besloot in 1683 om twee derde van haar aandeel in de kolonie Suriname te verkopen. In de toen opgerichte Socit‰it van Suriname participeerden de West-Indische Compagnie, Amsterdam en Cornelis Van Aerssen van Sommelsdijck (1637-1688) elk voor een derde deel. In 1770 verkocht de familie Van Aerssen van Sommelsdijck haar aandeel in de onderneming aan de stad Amsterdam. Uiteindelijk bezaten de West-Indische Compagnie en Amsterdam elk een belang van vijftig procent in de Soci‰teit.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het wapen van de familie Konauw. Op andere zijde kelk de datering: 2.FEBRUARY/.1779./. Nicolaas Konauw (1724/25-1782) was van 1759 tot 1782 regent van het Spin- en Nieuwe Werkhuis te Amsterdam. De datum 2 februari 1779 memoreert zijn 20-jarig regentschap bij deze strafinrichting.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk het wapen van de familie Ploos van Amstel. Op de andere zijde een gekroond medaillon waarin het monogram: PvA/. Het wapen en monogram verwijzen naar Cornelis Ploos van Amstel (1726-1798), koopman en kunstverzamelaar te Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk in een bisschop met mijter, staf en boek, waaronder het opschrift: ST NICOLAAS./. Aan weerszijden de vier familiewapens met de namen van de regenten van het Leprozenhuis: FRANS. VAN KERCHEM./ ARNOLD. VAN AALST./ MATTHYS. OOSTER./ WILLEM. HENDRIK. NOLTHENIUS./. Op de andere zijde het gekroonde stadswapen van Amsterdam met twee leeuwen. Sint Nicolaas was beschermheilige van Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk in radgravure en etstechniek een door bloemen en bomen met vogels gevormd medaillon, waarin de werkplaats van een lithografeer-inrichting. Op de andere zijde van de kelk een krans van laurier- en eikenbladeren met het monogram: AS./ en de datering: 1 Jan:/1861./. Boven krans het opschrift: J.H. Morrien./ Onder krans: Lith: verEeniging./. Bij het glas wordt een briefje bewaard van later datum met het opschrift: Ik wil dat dit Glas naar een Muzeum/ gestuurd werd dan blijft het voor het nageslacht bewaard/ Heemstede Jan 1923/ je Moeder F.S. v Rhoon Morri‰n/. Het glas is geschonken aan de heer F.S. van Rhoon ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum bij de fa. Tresling te Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk in radgravure het opschrift: SALUS. POPULI. SUPREMA. LEX. ESTO./. Afgebeeld is het embleem van het Collegium Medicum met het gekroonde stadswapen van Amsterdam en het opschrift: COLLEGIUM MEDICUM/ MDCCLXXVI/. Verder zes familiewapens van de inspectores van het Collegium met namen en jaartallen: DR= I= VAN ALPHEN./ 1771./ MR= DK= TIMMER./. 1766./ MR= RS= WS= LS DE RHOER./ 1773./ DR= PS= VAN LEENDT/ 1753./ DR= C= I= DE FAMARS./ 1748./ DR= IAN HANEDOES./ 1732./. Gesigneerd en gedateerd in diamantgravure: Jacob Sang/ Fec: 1776. Het glas is in 1776 door dr Joan van Alphen geschonken aan het Collegium Medicum. In de Notulen van de Inspectores van het Collegium Medicum uit 1776 wordt vermeld dat de heer Joan van Alphen het Collegie in 1776 vereert met 'een fraij gesneden Crijstal Pocaal, verciert met de wapens der stad, van dit Collegie en der zes t'hans fungerende leeden [], met het verzoek dit Collegie met elkanderen maaltijt hield, mogten gebruijkt worden'. De jaartallen geven het jaar van de aanstelling van de Inspectores (inspecteurs). De glasgraveur Jacob Sang gebruikte dit type gefacetteerd glas meerdere malen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk in radgravure vier visserschepen op volle zee, waarvan twee zeilend. Onder voorstelling in diamantgravure het opschrift: DE GROOTE VISSERY/. De gravure heeft betrekking op de haringvisserij.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk in stippelgravure een portret van Hendrik Hooft Danielsz. Op de andere zijde in diamantgravure het opschrift: HENDRIK HOOFT DANIELS.Z. BURGEMEESTER DER STAD AMSTERDAM. DOOR EENDRACHT HERLEEFT DE VRYHEID/ DITS' HOLLANSCH CATO HOOFT GEVLUGT OM DWINLANDY/ KEERT HY IN ZEEGEPRAAL DAN WORD HEEL NEERLAND VRY/. Hendrik Hooft Danielsz. (1716-1794) was burgemeester van Amsterdam en een van de leiders der patriotten. Als verklaard tegenstander van stadhouder Willem V (1748-1806) moest hij na het herstel van de stadhouderlijke macht in 1787 naar Frankrijk vluchten. Drie jaar later keerde hij naar de Noordelijke Nederlanden terug, waar hij in 1794 overleed. 'Vader' Hooft werd door de patriotten als held vereerd. Zijn portret sierde politieke souvenirs als medailles, speldjes en gegraveerde glazen. Welke prent de glasgraveur als voorbeeld heeft gebruikt is niet met zekerheid te zeggen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk in zwarte opdruk het opschrift: SM AHM/ 1985/. Tussen SM en AHM een breuklijn. Het glas is aangeboden aan het personeel van de Dienst Gemeente Musea te Amsterdam, ter gelegenheid van de splitsing van deze dienst in het Stedelijk Museum en het Amsterdams Historisch Museum op 1 januari 1985.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk is het gekroonde wapen afgebeeld van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën met twee leeuwen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk kuikens en een tredende haan op een hen. Hierboven in tekstlint het opschrift: DE LIEFHEBBERY/. Onder voorstelling: DAT KOMT DAR VAN/. Op andere zijde een medaillon waarin een landschap met tent en tortellende duiven. Voor een tent een Amorfiguur die de voeten van het vrijend paar in de tent toont. Dit is het enige achttiende-eeuwse radgegraveerde kelkglas in de verzameling van Abraham Willet (1825-1888). Glazen met erotische voorstellingen waren omstreeks het midden van de achttiende eeuw vrij algemeen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk tien familiewapens van de bestuurders van de Stadsschouwburg in 1731 met de namen: JACOB VAN DER WAAYEN/ GERARD ROGGE/ PHILIPS VAN DER GHIESSEN/ WIGBOLD SLICHER/ BALTHAZAR HUYDECOPER/ JEAN WOLFF/ JAN CASPER HARTSINCK/ JACOB VOORDAAGH/ JACOB OORTMAN/ JEREMIAS VAN DER MEER/. Hieronder een band met bloem- en bladranken waarin een bijenkorf, een duif in een stralenkrans en een knijpbril, de emblemen van respectievelijk de Stadsschouwburg, het Burgerweeshuis en het Oudemannen- en Vrouwenhuis te Amsterdam. Onder de bijenkorf het opschrift: DAAR YVER EN LIEFDE BLOEJEN,/ DAAR ZIET MEN VREDE EN WELVAART GROEIEN./. Onder de duif het opschrift: BURGERWEESHUIS/. Onder de bril het opschrift: OUDE-MANNENHUIS/. Op de deksel de negen muzen en het gevleugelde paard Pegasus.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk twee elkaar de hand reikende mannenfiguren in Romeinse dracht. Hierboven het opschrift: DAVID IONATAS/. Op de andere zijde het opschrift: GLICK DESE TWEE/ BESTAN ONSE TROWE/ GAAN/. Glazen met gegraveerde voorstellingen van de elkaar de hand reikende David en Jonathan komen veelvuldig voor. Er bestaan uiteenlopende interpretaties van dit bijbelse thema (Samuel I 18:1-4, 19:1-7, 20:4) over mannenvrienschap.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk twee gekroonde wapens van de Zeven Verenigde Provinci‰n, het ene geflankeerd door leeuwen, het andere door wapentrofee‰n. Tussen de wapens de Nederlandse maagd, een vrouwenfiguur met lans waarop vrijheidshoed. Op de andere zijde een kroon en een scepter op kussen. De gravering heeft mogelijk betrekking op de kroning van stadhouder Willem III (1650-1702) tot koning van Engeland in 1689.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk twee gekruiste bladertakjes waarboven het opschrift: SANS-SOUCI./ (Zonder zorg). Hieronder de namen: S. RENDORP./ J. CLIFFORD./ G.F.A. SNOUCKAERT/ VAN SCHOUBURG./ A. HODSHON./ J. HODSHON./ M. MUILMAN./ W. VAN WEEDE./. Op andere zijde: H.J. ORTT. BEDANKT./ A. VAN DER HOOP./ A. KUVEL./ L. BOREEL./. Het glas heeft mogelijk betrekking op de oprichting van het genootschap Sans-Souci op 1 januari 1821. Sans-Souci bestond van 1821 tot 1914. Vanaf 1862 kwam men bijeen in het zogeheten Loterijhuis, Dam 12, Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk twee gevleugelde putti. E‚n putto perst een druiventros uit, terwijl de ander de drinkschaal ophoudt. Hieronder een tekstlint met het opschrift: AMICITIA/. Op bovenzijde voet in diamantgravure gesigneerd en gedateerd: Jacob Sang, inv: et Fec: Amsterdam, 1760,/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk twee omlijstingen waarin de wapens van Cornelis G.J. van Wyckerslooth en Geertrudis Maria Roest van Alkemade. Tussen de wapens twee vlammende harten, doorboord met een pijl. Hierboven het opschrift: UNIE A JAMAIS/ (Voor eeuwig verbonden). Op de andere zijde van de kelk het spiegelmonogram: CRW/. Het glas is vervaardigd ter gelegenheid van het huwelijk van Baron Cornelis Gerardus Jozephus van Wyckerslooth van Grevenmachern (1749-1804) en Geertrudis Maria Roest van Alkemade (1753-1807) op 8 februari 1774. Beiden behoorden tot de katholieke elite in Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk vier gekroonde, door bladranken geflankeerde wapens; respectievelijk het wapen van koning-stadhouder Willem III, het wapen van de provincie Holland en de stadswapens van Amsterdam en Gouda.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk vier ovale schilden in reli‰f. Het schild op de voorzijde met het opschrift: Herz/ Seinem Freunde/ Willet/ Zum Geburtstage./. Op andere zijde een schild met een geslepen zon. Dr Abraham Willet sr (1790-1851), was een vrouwenarts te Amsterdam. Hij was de zoon van dr F.E. Willet (1746-1819), inspecteur bij het Collegium Medicum, en vader van de Amsterdamse kunstverzamelaar Abraham Willet (1825-1888). Door wie en wanneer het glas aan Willet is geschonken is niet bekend.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk vijf medaillons met monogrammen van de regenten van het Nieuwe Werkhuis in 1782. In het middelste medaillon het monogram: JA/, waaronder een kleiner medaillon met de letters: JG et. GF/ T/. Aan weerszijden de monogrammen: NK/ GT/ HD/ NB/. Het glas draagt de vijf monogrammen van de regenten van het Nieuwe Werkhuis die in 1782 (het jaar der voltooiing van de nieuwe strafinrichting in de huidige Roeterstraat) in functie waren. Het monogram van de zesde regent mr Nicolaas Tersmitten ontbreekt. Mogelijk heeft hij het glas van zijn mederegenten ten geschenke gekregen, als blijk van waardering voor zijn bemoeienis met de bouw van het Nieuwe Werkhuis.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de kelk vogels op bladertakken. Op de voet bloemtakjes.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de onderzijde van de schaal het opschrift: A 50 B 50 C 50/. Op de onderzijde van de rand voorstellingen van de lederwarenbranche, de bouwmaterialen, de metaalindustrie, de papierwarenhandel, het kappersbedrijf, de horecabedrijven, de agrarische sector en de chemische industrie. De persglazen schaal is vervaardigd ter gelegenheid van het 50-jarig jubileum van de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale in 1957.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de reukflacon een achtkantig schild waarin een wit ceramisch reli‰fportret van J.C.J. van Speyk. Op de onderzijde een portret in blauw het opschrift: Van Speyk./. Op de achterzijde de letters: MT/. De fles memoreert de heldendood van Jan Carel Josephus van Speyk (1802-1831) die opgroeide in het Burgerweeshuis te Amsterdam. In 1831 liet hij in de strijd tegen de opstandige Belgen zijn kanonneerboot in de haven van Antwerpen exploderen. Kort daarop ontstond een levendige handel in souvenirs, zoals deze kunstig geslepen reukflacon.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de vaas een medaillon waarin het monogram: ABC/, waaronder: 25/ JAAR/ LIDMAATSCHAP/. Het monogram is dat van de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale. De Algemene Bedrijfsgroepen Centrale (ABC, opgericht 1950) was de voortzetting van de uit 1907 daterende Nedelandse Vereniging van Fabrieksarbeiders(-sters). De ABC heeft tot 1971 bestaan, waarna de vakorganisatie opging in de Industriebond NVV (later Industriebond FNV).ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de vaas het opschrift: SPORTSTAD VAN HET JAAR/ AMSTERDAM/. In een geslepen ovaal het beeldmerk van de AVRO, waaronder het jaartal 1973/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op de voet de gegraveerde opschriften: AAN O. HANSEN/ 1870 15-9 1895/ en: VAN MEDEBESTUURDEREN V.D. KOSTHUIZEN/ DER MY V D WERKENDE STAND/. Het glas is vervaardigd voor Okke Hansen (1830-1910), eigenaar van het gelijknamige schuitenvoerdersbedrijf te Amsterdam, ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum als bestuurslid van de Kosthuizen van de Maatschappij van de Werkende Stand in 1895.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op een ruitje een medaillon waarin een voorstelling van de gelijkenis van de Verloren Zoon (Lucas XV: 11-32), met man bij een trog met etende varkens. Boven het medaillon het opschrift: Den groten vloot die dit aanschouwt,/ Die ziet het werk getuigen/ Een ieder die niet met hem rouwt/ Doet nudan met hem buigen./ Die nog geen litmaat met hem is/ Die zich niet is gegeven/ Kroop dezen die niet niet hem is/ Wil tog in wijsheid leven./ Want wat gij doet en nu bedrijft/ Tis God die het toch Ziet/ Ik zeg u lezer onverblijd/ Haar dezen zoon slechts niet./ k Roep dezen slegts met mijnenslijt/ Die op zijn zonden rust/ Gaat ookals die met al u spijt/ Dat gij ook zijt berrust./ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een glaszegel met een niet geïdentificeerd wapen en het opschrift: MARASCHINO/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een glaszegel met een niet geïdentificeerd wapen en het opschrift: MARASCHINO/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een glaszegel met het opschrift: LEVERT & SCHUDEL/ HAARLEM/ MARASCHINO/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een glaszegel met het opschrift: MADERE/. Fles ter bewaring van madeira, een zoete wijn van het eiland Madeira.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een glaszegel met het opschrift: MADERE/. Fles ter bewaring van madeira, een zoete wijn van het eiland Madeira.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een glaszegel met het opschrift: PERNOD/ FILS/. Fles ter bewaring van een met water aan te lengen aperatief, gestookt uit anijszaad en andere kruiden.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM LEVERT & CO,/ AMSTERDAM/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM, /LEVERT & CO./ AMSTERDAM/. Omstreeks 1900 was Van Zuylekom gefuseerd met de firma Levert & Co.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM, /LEVERT & CO./ AMSTERDAM/. Omstreeks 1900 was Van Zuylekom gefuseerd met de firma Levert & Co.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een glaszegel met het opschrift: VAN ZUYLEKOM, /LEVERT & CO./ AMSTERDAM/. Omstreeks 1900 was Van Zuylekom gefuseerd met de firma Levert & Co.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een monogram met de initialen: JDD, waar omheen het opschrift: J.D.DIEKER/ GEDEPONEERD/ FABRIEKSMERK/ AMSTERDAM/. Op onderzijde bodem: G.T.YB./. Kogelflesje voor koolzuurhoudende drank, door een glazen bolletje afgesloten (van ca 1870 tot ca 1950 in gebruik). Diekers mineraalwaterfabriek was omstreeks de eeuwwisseling gevestigd aan de Lijnbaansgracht 297.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een monogram met de initialen: JDD/, waar omheen het opschrift: J.D.DIEKER MINERAALWATERFABRIEK/ AMSTERDAM/. Metalen sifon met het opschrift: J.D.DIEKER/ AMSTERDAM/. Op andere zijde sifon: HENDR:DIJKSTRA/.AMSTERDAM./LOODVRIJ/. De glasindustrie van Hendrik Dijkstra was gevestigd aan de Nieuwezijds Voorburgwal 21-23. Diekers mineraalwaterfabriek stond omstreeks de eeuwwisseling aan de Lijnbaansgracht 297.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles een wapenschild, waarin het opschrift: SYSTEEM BEINS/. Boven schild: J.D. DIEKER/. Eronder het opschrift: AMSTERDAM/. Op andere zijde fles: DAN RYLANDS LD/ 4/ SOLEMAKERS/ BARNSLEY/ AGENT/ F.J. RAKEN/ AMSTERDAM/. Kogelflesje voor koolzuurhoudende drank, door een glazen bolletje afgesloten (van ca 1870 tot ca 1950 in gebruik). Diekers mineraalwaterfabriek was omstreeks de eeuwwisseling gevestigd aan de Lijnbaansgracht 297.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: BESTE CURACOU/. Voorraadfles ter bewaring van fijne likeur, dubbel gestookt van schillen van sinaasappels uit Cura‡ao.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: BESTE CURACOU/. Voorraadfles ter bewaring van fijne likeur, dubbel gestookt van schillen van sinaasappels uit Cura‡ao.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: DUBB PEPERMUNT./. Voorraadfles ter bewaring van fijne, op pepermuntolie overgehaalde, likeur.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: DUBB: ANNISETTE./. Voorraadfles ter bewaring van fijne likeur, dubbel gestookt uit anijszaad.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: GULDEWATER./. Voorraadfles ter bewaring van fijne likeur met geslagen goudblaadjes.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: JAMAICA RUM/. Voorraadfles ter bewaring van een sterke alcoholhoudende drank, gestookt uit melasse, het sap van suikerriet.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: NAGELWATER./. Voorraadfles ter bewaring van likeur, gestookt uit kruidnagelen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: RO SCHILLEN./. Voorraadfles ter bewaring van jenever of brandewijn, gestookt uit schillen van rode citrusvruchten.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: ZILVERWATER./. Voorraadfles ter bewaring van fijne likeur met geslagen zilverblaadjes.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in groen en goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: A[NNI]SETTE/. Voorraadfles ter bewaring van fijne likeur, gestookt uit anijszaad.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in groen en goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: CITROEN/. Voorraadfles ter bewaring van jenever of brandewijn, gestookt uit citroenschillen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in groen en goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: CURACOU/. Voorraadfles ter bewaring van fijne likeur, gestookt van schillen van sinaasappels uit Cura‡ao.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in groen en goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: FRAMBOSE/. Voorraadfles ter bewaring van likeur, gestookt uit frambozen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op fles in groen en goudkleurig tekstlint met zwarte letters het opschrift: SCHILLEN/. Voorraadfles ter bewaring van jenever of brandewijn, gestookt uit sinaasappelschillen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op gebeitste beker in radgravure de Ronde Lutherse Kerk aan het Singel te Amsterdam, gezien vanaf de Haarlemmersluis. Op de achtergrond de Jan Rodenpoortstoren. Onder de voorstelling het opschrift: Cingel in Amsterdam./. Glazen waarop een bekend gebouw of een stadsgezicht zijn weergegeven kunnen worden beschouwd als vroege souvenirglazen. Welke prent de glasgraveur als voorbeeld heeft gebruikt is niet bekend. Het stadsgezicht op het glas komt niet overeen met de actuele situatie van omstreeks 1850. Reeds in 1829 was de Jan Rodenpoorstoren wegens bouwvalligheid afgebroken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op het blad het opschrift: Geschenk van de Weeskinderen/ Ter gedachtenis/ aan het/ driehonderdvijftig jarig bestaan/ van het Burgerweeshuis/ 1 Mei 1870/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op het glas een visser en een landman, elk met een knechtje.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op kelk het ge‰tste stadswapen van Amsterdam met in radgravure de initialen P W/, waaronder een tekstlint met de jaartallen 1850-1950/. Het glas werd bij het 100-jarig bestaan van de Dienst Publieke Werken aan de circa honderdvijftig werknemers aangeboden.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op kelk het opschrift: HAAR EDELE GROOT AGTBAARHEDEN/. Het opschrift heeft betrekking op de titulatuur van de burgemeesters van Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Op kelk het opschrift: Het 300 Jaarige bestaan van het burger Weeshuis den 6 April A 1820/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rond 1896 reden de eerste auto's in Nederland. De automobiel was in de vroege jaren van zijn bestaan vooral een luxe sport en geen transportmiddel. Speciale mantels, hoeden en brillen beschermen de bestuurder en bijrijder tegen kou en opwaaiend stof. Het Amsterdams Historisch Museum bezit een dames automobielmantel, die als negligé in 1966 voor zestig gulden is aangekocht. Het bleek echter een automobielmantel waarmee de firma Metz & Co in 1906-'07 in het tijdschrift De vrouw en haar huis, onder het thema 'zomersport' adverteerde. De mantel van kostbare liberty-zijde is versierd met smokwerk. In een nummer uit 1909 wordt het gebruik van automobielkleding toegelicht. Zo houdt tijdens het autorijden een sluier de hoed op zijn plaats. Het is van groot belang dat de sluier goed vastgezet werd want 'de sluier [heeft] een fellen kamp te voeren met den wind […] en vindt hij een kleine opening tusschen gezicht en sluier, dan vliegt hij er in, blaast den sluier op en doet het hoofd gelijken op een luchtballon [..]. Een allesbehalve sierlijk gezicht!' Uiteraard volgen er tips hoe dit te voorkomen door een goede hoed te kiezen. Niet alleen Metz heeft automobielmantels voor vrouwen verkocht. Kleedmagazijn Nieuw Engeland op het Koningsplein, de firma Greeve & Zoon uit de Kalverstraat en A.J. van de Steur Tailor in Haarlem adverteren met automobielkleding voor vrouwen. Ondanks de advertenties voor automobielkleding, worden vrouwen niet geacht zélf achter het stuur plaats te nemen. Dat is in Nederland tot de eerste wereldoorlog in 1914 eerder uitzondering dan regel.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rond 1900 is het theater- en muziekleven in Amsterdam in volle bloei. De uitgaanskleding van dames is zo extravagant dat er in de schouwburg discussies ontstaan over de omvang van de dameshoeden. De zwierige, gestileerde lijnen van de kunststroming l'art nouveau of Jugenstil die rond 1900 in de decoratieve kunst worden gebruikt, zijn ook zichtbaar in de S-lijn die in kleding in de mode raakt. Het nieuwe droit-devant - korset drukt de buik plat en accentueert billen en borsten overvloedig, waardoor het lichaam - en profil gezien - in een S-lijn wordt geduwd. Door het hol trekken van de rug komt de buste verder naar voren en samen met het kantelen van het bekken is het beoogde effect bereikt. Het middel moest zo slank zijn dat het met twee (mannen!)handen te omvatten was. Dit ideaalbeeld is echter zelden realiteit geworden. In Nederland wordt spottend over de "slaolielijn" gesproken. Artsen vonden het droit-devant korset gezonder dan vroegere korsetten omdat de onderste ribben minder naar binnen worden geduwd en de organen in de buik niet worden ingedrukt. Het is ook wel gezondheidskorset genoemd, hoewel het net zo ongezond was. Deze japon met de kenmerkende S-lijn zit glad om de heupen en waaiert vanaf daar uit in een sleep. Dunne soepele stoffen zijn modieus en om de boezem extra te benadrukken worden vaak verschillende lagen kant over elkaar gedragen. Deze luxueuze japon staat in schril contrast met de Reformjaponnen uit dezelfde periode, die zonder korset en teveel opsmuk gedragen worden.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de beker dansende en musicerende dwergen met daarboven insecten. De graveringen op de beker gaan terug op prenten van Fran‡ois Collignon (1611-1685).ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de beker drie hazen en vogeltjes in landschap. De onderzijde is versierd met uitgetrokken glasribben. Mogelijk hebben de hazen op de glasgravure een erotisch bijbetekenis en verwijzen ze naar de voortplantingsdrift van deze dieren.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de beker een landschap met een man op een aangespannen paard, die probeert een dorre boom omver te trekken. Tegen de boom staat een bok die naar een blaadje reikt. Een gehurkt kind test de buigzaamheid van een jonge tak. Gesigneerd en gedateerd: n: Stampioen/ fecit 1656/. De voorstelling verwijst naar de levensloop van de mens. Mogelijk symboliseert de prent de onwrikbaarheid van de ouderdom en de buigzaamheid van de jeugd. Een bok die de hoog aan de boom groeiende blaadjes probeert te eten staat symbool voor de eerzucht en ambitie van de mens om naar het hoogste te streven. De glasgraveur heeft hierbij twee prenten uit een zelfde serie als voorbeeld gebruikt. De afbeelding van de man te paard en de afbeelding van het kind zijn gebaseerd op een gravure door Mattheus Meriaen (1621-1687). De boom met volle bladertooi gaat terug op een detail van ‚‚n van de gravures. De libelle en de vlinder zijn gebaseerd op een prent van Nicolaes de Bruijn (1565 of 1571-1652).ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de beker een landschap met herten- en zwijnenjacht en het opschrift: TRINCK.MIT.FREVDEN.HALT.MICH.BESCHIDEN.ANNO DOMINI 1679/ (Drinkt met vreugde maar met mate).ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de beker het opschrift: IXe OLYMPIADE/ AMSTERDAM/ HOLLAND/. Herinneringsbeker aan de Olympische Spelen te Amsterdam in 1928.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de beker het opschrift: OLYMPISCHE/ SPELEN/ AMSTERDAM/ 1928/. Op de andere zijde het gekroonde stadswapen van Amsterdam gehouden door twee leeuwen. Herinneringsbeker aan de Olympische Spelen te Amsterdam in 1928.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de beker twee banden met bladeren en palmetten in bladzilver, waartussen een berenjacht in bladgoud. In bodem een medaillon met een hert in bladgoud op rode lak.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kan bloemen en een vogel. Materiaal, vorm en beschildering van het kannetje zijn sterk be‹nvloed door voorbeelden van met name Meissen en Wener porselein.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk de zeven gekroonde wapens van de provincies Holland, Zeeland, Friesland, Groningen, Gelderland, Overijssel en Utrecht.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk een band met vier linten, waaraan medaillons met vier familiewapens en de namen van de regenten van het Leprozenhuis: M. OOSTER/, W.H. NOLTHENIUS/, R.I. VAN. DEN. BROEK/, M. VAN. SON/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk een hopkwekerij waarboven het randschrift: HET WELSYN, VAN DE HOP, NEGOOTIE/. Scherf uit voet, aangevuld met perspex.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk een landschap met de Vlucht naar Egypte en de Geboorte van Christus. Binnen de twee omlijstingen de opschriften: Inden mens goede/ wille/ en: Lof sij godt inden hemel/ vrede op arden/. Gesigneerd op kelk: CfM 1652/. Roemers waarvan de stam (of schacht) is bezet met gladde noppen komen veelvuldig voor op zeventiende-eeuwse schilderijen, maar zijn thans zeldzaam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk een landschap met drie wegwerkers, van wie twee met schop en ‚‚n met kruiwagen. Hierboven het opschrift: T, WELVAREN VAN HET SANDPAT/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk een landschap met een herderspaar en een jager met geweer en gevogelte. Naast de jager een herderin en een schaap.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk een landschap met valkenjacht, twee ruiters en rustende jagers met honden. Gesigneerd en gedateerd: CfM 1661/. De valkenier met het valkenrek en de ruiter zijn gebaseerd op een prent van Jacob Cats (1741-1799). Het betreft een prent met het motto: Elck meynt sijn uyl een valck te zijn/. De uilen van de prent zijn op het glas vervangen door valken. De twee jagers met hond zijn gebaseerd op een detail van een prent van Antonio Tempesta (1555-1630).ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk een landschap met vee, waarboven het opschrift: HET GROEYEN EN BLOEYEN VAN OSSEN EN KOEYEN/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk een vaandeldrager en twee familiewapens; een niet ge‹dentificeerd mannelijk schild, het vrouwelijke wapen van de familie Seleyns. Hierboven het opschrift: 'T welvaren van de crijsraet 1666/. Onder de wapens drie afgekapte bomen met ontspruitende jonge takken.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk een waaggebouw met het stadswapen van Amsterdam en een afgemeerde driemaster. Onder kelkrand het opschrift: D'.NEGOTIE. TE WATER. EN TE LAND./.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk een zeilschip met vlag waarop het monogram van de West-Indische Compagnie: GWC/ (Geoctrooieerde West-Indische Compagnie). Op de andere zijde pakhuizen en handelswaar op een kade in een landschap met palmbomen. Hierboven het opschrift: T WELVAAREN VAN DE WESTINDISCHE COMPAGNIE/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk het stadsprofiel van Amsterdam, gezien vanaf het IJ. Hierboven een tekstlint met het opschrift: AMSTERDAM/ en het gekroonde stadswapen met twee leeuwen. Op de deksel een leeuw en een driemaster met de Amsterdamse vlag.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk negen voornaam geklede leden van de Amsterdamse koopmansfamilie familie Pels in een rijk interieur met allegorische beelden, voorstellend Justitia, twee Romeinse lictoren en Silentia. In een gekroond medaillon de wapens van de families Pels en Bouwens. Het glas zou een huwelijksglas kunnen zijn voor Johanna Sara Pels (1702-1791), die op 6 november 1720 huwde met Jan Bernd Bicker (1695-1750). Zij zit tussen haar ouders onder het alliantiewapen van de families Pels en Bouwens. Eveneens onder het wapen zit Andries Pels (1655-1731), de vader van de bruid, zijn jongste dochter. Aan haar rechterhand haar moeder Angenita Bouwens (1660-1749). De voorstelling kan ook betrekking hebben op een andere hoogtijdag in de familie Pels-Bouwens.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de kelk twee trekschuiten en twee jagers te paard. Hierboven het opschrift: DE GOEDE REYS VAN DE HEEREN/.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de tafelbel spiraalsgewijs het opschrift: AANGEBODEN AAN DE STAD AMSTERDAM DOOR HET GENOOTSCHAP VOOR RECLAME/. Rondom rand: T.G.V. HET 26E CONGRES TE AMSTERDAM 21 EN 22 JANUARI 1965 */. Voor de tafelbel is een kelk van het servies Folium gebruikt, een ontwerp van Meydam uit 1948.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom de voet het gegraveerde opschrift: D'Heer. & Mr. Joachim Rendorp het Verleij van de Heerlijkheid Marquette Genomen den 22 Maart 1717/. De drinkschaal is vervaardigd ter herinnering aan mr Joachim Rendorp (1671-1730), Vrijheer van Marquette. In 1717 verkocht Rendorp zijn buitenplaats Watervliet bij Velsen en kocht hij de ridderhofstede Marquette onder Heemskerck. De voet is vervaardigd in 1730, het overlijdensjaar van Rendorp; de gravering memoreert Rendorps aankoop van de ridderhofstede in 1717.ns3:AHMTextsAuthor
_:Rondom kelk diverse stadia van de wijnfabricage. Hierboven een tekstlint met het opschrift: T.WELVAAREN.VAN.T.WYNKOOPERS.GILDT./. In het midden van het lint een door druiventrossen en -ranken omringd schild met de letters WG/ (Wijnkopers Gilde). De voorsteling in de ton komt overeen met een detail op het titelblad van de almanak voor het wijnkopersgilde uit 1782. Het Wijnkopers Gilde hield tot 1820 kantoor in het Wijnkopersgildehuis, Koestraat 10-12, Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Soortgelijke flessen bevinden zich in het Museo Vetrario te Murano en The Metropolitan Museum of Art, New York (Lanmon/Whitehouse 1993, pp. 129-131 nr 46, pp. 130-131 afb.).ns3:AHMTextsAuthor
_:Stam en kelk van het glas dateren uit de zeventiende eeuw, maar horen oorspronkelijk niet bij elkaar. In de negentiende eeuw is uit deze twee onderdelen een 'nieuw' zeventiende-eeuws glas samengesteld, iets dat wel vaker voorkwam. Dergelijke glazen worden wel 'mariages' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Stam en kelk van het glas dateren uit de zeventiende eeuw, maar horen oorspronkelijk niet bij elkaar. In de negentiende eeuw is uit deze twee onderdelen een 'nieuw' zeventiende-eeuws glas samengesteld, iets dat wel vaker voorkwam. Dergelijke glazen worden wel 'mariages' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Stam en kelk van het glas dateren uit de zeventiende eeuw, maar horen oorspronkelijk niet bij elkaar. In de negentiende eeuw is uit deze twee onderdelen een 'nieuw' zeventiende-eeuws glas samengesteld, iets dat wel vaker voorkwam. Dergelijke glazen worden wel 'mariages' genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Stam met latere metalen reparatie, vermoedelijk negentiende-eeuws.ns3:AHMTextsAuthor
_:Tot ongeveer 1770 worden luxe damesschoenen meestal van satijn of brokaat gemaakt. Werkende vrouwen uit de lagere standen droegen leren schoenen. Welgestelde mannen droegen overigens wel leren laarzen. Schoenen, zoals dit gele exemplaar met geborduurde bloemen, werden bij speciale en feestelijke gelegenheden binnen gedragen. De stof en versiering tonen de status en rijkdom van de draagster. Het materiaal hoefde niet overeen te komen met de stof van de japon waar deze bij werd gedragen. De voorkanten werden kruiselings vastgezet met een gesp of met veterbanden vastgeknoopt. Het idee van bij elkaar passende stoffen, schoenen en accessoires werd pas aan het einde van de achttiende eeuw gangbaar. Voor het dagelijkse gebruik droegen rijke vrouwen muiltjes van zijde of fluweel. Het was niet gebruikelijk voor een dame van stand om buiten te wandelen. Zodra zij uitging liet zij zich vervoeren per koets. Mocht de dame in kwestie zich toch lopend buiten de deur begeven, dan droeg zij overschoenen tegen modder en straatvuil. De puntige neus en hoge brede hak zijn typerend voor de tweede helft van de achttiende eeuw. In de loop van de eeuw wordt de vorm wat verfijnder en lichter en de hak smaller.ns3:AHMTextsAuthor
_:Tot ongeveer 1770 worden luxe damesschoenen meestal van satijn of brokaat gemaakt. Werkende vrouwen uit de lagere standen droegen leren schoenen. Welgestelde mannen droegen overigens wel leren laarzen. Schoenen, zoals dit gele exemplaar met geborduurde bloemen, werden bij speciale en feestelijke gelegenheden binnen gedragen. De stof en versiering tonen de status en rijkdom van de draagster. Het materiaal hoefde niet overeen te komen met de stof van de japon waar deze bij werd gedragen. De voorkanten werden kruiselings vastgezet met een gesp of met veterbanden vastgeknoopt. Het idee van bij elkaar passende stoffen, schoenen en accessoires werd pas aan het einde van de achttiende eeuw gangbaar. Voor het dagelijkse gebruik droegen rijke vrouwen muiltjes van zijde of fluweel. Het was niet gebruikelijk voor een dame van stand om buiten te wandelen. Zodra zij uitging liet zij zich vervoeren per koets. Mocht de dame in kwestie zich toch lopend buiten de deur begeven, dan droeg zij overschoenen tegen modder en straatvuil. De puntige neus en hoge brede hak zijn typerend voor de tweede helft van de achttiende eeuw. In de loop van de eeuw wordt de vorm wat verfijnder en lichter en de hak smaller.ns3:AHMTextsAuthor
_:Tot ongeveer 1770 worden luxe damesschoenen meestal van satijn of brokaat gemaakt. Werkende vrouwen uit de lagere standen droegen leren schoenen. Welgestelde mannen droegen overigens wel leren laarzen. Schoenen, zoals dit gele exemplaar met geborduurde bloemen, werden bij speciale en feestelijke gelegenheden binnen gedragen. De stof en versiering tonen de status en rijkdom van de draagster. Het materiaal hoefde niet overeen te komen met de stof van de japon waar deze bij werd gedragen. De voorkanten werden kruiselings vastgezet met een gesp of met veterbanden vastgeknoopt. Het idee van bij elkaar passende stoffen, schoenen en accessoires werd pas aan het einde van de achttiende eeuw gangbaar. Voor het dagelijkse gebruik droegen rijke vrouwen muiltjes van zijde of fluweel. Het was niet gebruikelijk voor een dame van stand om buiten te wandelen. Zodra zij uitging liet zij zich vervoeren per koets. Mocht de dame in kwestie zich toch lopend buiten de deur begeven, dan droeg zij overschoenen tegen modder en straatvuil. De puntige neus en hoge brede hak zijn typerend voor de tweede helft van de achttiende eeuw. In de loop van de eeuw wordt de vorm wat verfijnder en lichter en de hak smaller.ns3:AHMTextsAuthor
_:Uit de omslagdoeken die vanaf 1800 lange tijd mode zijn, ontstaan in de tweede helft van de negentiende eeuw capeachtige mantels met wijde mouwen: de mantille. Deze passen wat vorm betreft goed bij de dan heersende mode van de crinoline. De ruime klokkende mantels kunnen over de wijde japonnen gedragen worden. Bij de daarop volgende tournuremode - waarbij het accent op de uitstaande achterzijde lag - verschijnt in Frankrijk een kledingstuk dat typerend zou zijn voor de jaren tachtig: de visite. In dit korte manteltje is rekening gehouden met de vele draperieën waarover de mantel deels moet vallen.. Dit is ook te zien in de vele advertenties uit deze periode in de modetijdschriften. De visite heeft geen echte mouwen, maar slechts openingen op taillehoogte waar men de armen doorsteekt. De visites zijn overwegend zwart. De lange achterzijde van de mantille rechts op de foto een stuk beter in model indien gedragen over een tournure Opvallend zijn de prachtige decoraties op kragen, langs randen en op de visite zelf met ruches, kant, band, applicaties, gitten en borduursel. De negentiende-eeuwse interesse in rouwcultuur maakte dat zwart in de laatste vijftien jaar van de eeuw meer in de mode kwam. De mouwen van de japonnen zijn na 1893 zo groot, dat zij een probleem vormen voor de nauwsluitende mantel, zodat opnieuw de toevlucht tot korte klokkende capes wordt genomen. In Nederland worden de avondmantels zonder mouwen sortie (naar het franse woord "sortire" dat "uitgaan" betekent) genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Uit de omslagdoeken die vanaf 1800 lange tijd mode zijn, ontstaan in de tweede helft van de negentiende eeuw capeachtige mantels met wijde mouwen: de mantille. Deze passen wat vorm betreft goed bij de dan heersende mode van de crinoline. De ruime klokkende mantels kunnen over de wijde japonnen gedragen worden. Bij de daarop volgende tournuremode - waarbij het accent op de uitstaande achterzijde lag - verschijnt in Frankrijk een kledingstuk dat typerend zou zijn voor de jaren tachtig: de visite. In dit korte manteltje is rekening gehouden met de vele draperieën waarover de mantel deels moet vallen.. Dit is ook te zien in de vele advertenties uit deze periode in de modetijdschriften. De visite heeft geen echte mouwen, maar slechts openingen op taillehoogte waar men de armen doorsteekt. De visites zijn overwegend zwart. De lange achterzijde van de mantille rechts op de foto een stuk beter in model indien gedragen over een tournure Opvallend zijn de prachtige decoraties op kragen, langs randen en op de visite zelf met ruches, kant, band, applicaties, gitten en borduursel. De negentiende-eeuwse interesse in rouwcultuur maakte dat zwart in de laatste vijftien jaar van de eeuw meer in de mode kwam. De mouwen van de japonnen zijn na 1893 zo groot, dat zij een probleem vormen voor de nauwsluitende mantel, zodat opnieuw de toevlucht tot korte klokkende capes wordt genomen. In Nederland worden de avondmantels zonder mouwen sortie (naar het franse woord "sortire" dat "uitgaan" betekent) genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Uit de omslagdoeken die vanaf 1800 lange tijd mode zijn, ontstaan in de tweede helft van de negentiende eeuw capeachtige mantels met wijde mouwen: de mantille. Deze passen wat vorm betreft goed bij de dan heersende mode van de crinoline. De ruime klokkende mantels kunnen over de wijde japonnen gedragen worden. Bij de daarop volgende tournuremode - waarbij het accent op de uitstaande achterzijde lag - verschijnt in Frankrijk een kledingstuk dat typerend zou zijn voor de jaren tachtig: de visite. In dit korte manteltje is rekening gehouden met de vele draperieën waarover de mantel deels moet vallen.. Dit is ook te zien in de vele advertenties uit deze periode in de modetijdschriften. De visite heeft geen echte mouwen, maar slechts openingen op taillehoogte waar men de armen doorsteekt. De visites zijn overwegend zwart. De lange achterzijde van de mantille rechts op de foto een stuk beter in model indien gedragen over een tournure Opvallend zijn de prachtige decoraties op kragen, langs randen en op de visite zelf met ruches, kant, band, applicaties, gitten en borduursel. De negentiende-eeuwse interesse in rouwcultuur maakte dat zwart in de laatste vijftien jaar van de eeuw meer in de mode kwam. De mouwen van de japonnen zijn na 1893 zo groot, dat zij een probleem vormen voor de nauwsluitende mantel, zodat opnieuw de toevlucht tot korte klokkende capes wordt genomen. In Nederland worden de avondmantels zonder mouwen sortie (naar het franse woord "sortire" dat "uitgaan" betekent) genoemd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Vanaf de late negentiende eeuw tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 beleeft de rijke Europese bovenlaag jaren van overdaad en pracht en praal: "La belle Epoque". Tegelijkertijd begint de oude maatschappelijke orde te wankelen. De emancipatie van de vrouw neemt gaandeweg toe. In 1910 treedt in Parijs de Russische balletgroep van Sergei Diaghilew (1872-1929) op. De felgekleurde oosterse kostuums - ontworpen door Leon Bakst (1866-1924) - vormen het onderwerp van gesprek. Voor een van de meest geruchtmakende ontwerpers van die tijd, Paul Poiret (1879-1944), vormen ze een nieuwe inspiratiebron. Hij opent in 1906 zijn eigen modehuis in Parijs. Met zijn ontwerpen van tunieken en kimono's creëert hij een slank en soepel silhouet dat zijn oorsprong al in de Reformkleding heeft. Door Poiret wordt het tot algemene mode gemaakt. Pas als Frankrijk deze mode accepteert, wordt het ook elders mode. Het korset heeft in deze mode geen plaats. Vanaf deze tijd loopt het aantal vrouwen dat korsetten draagt dan ook snel terug. Poiret ontwerpt de bekende "lampenkaptuniek", een halflange tuniek met daaronder een smalle rok. Zijn ontwerpen zijn buitengewoon populair in Frankrijk en worden vervolgens in andere landen nagevolgd. Zo verschijnen er verschillende variaties op zijn modellen. Een voorbeeld daarvan is deze witte tuniek met rok. Het silhouet is naar onder toe smal, de stof valt soepel om het lichaam. Slechts een eenvoudige garnering zorgt voor versiering. De nieuwe lage V-hals zorgt in het begin voor veel kritiek, maar is sindsdien niet meer weg te denken uit het modebeeld.ns3:AHMTextsAuthor
_:Verschillende achttiende-eeuwse japonnen uit de verzameling van het Amsterdams Historisch Museum bevinden zich niet meer in hun oorspronkelijke staat maar zijn aangepast aan volgende modes. Het vermaken van kleding was in de achttiende en negentiende eeuw ook in welgestelde kringen gebruikelijk. Met de industrialisatie en opkomst van de confectie-industrie in de loop van de negentiende eeuw wordt het meer als teken van geldgebrek gezien. In de praktijk is er toen ook nog steeds veel vermaakt. Stoffen waren kostbaar. Lappen stof zijn cadeau gegeven en zowel stoffen als kledingstukken zijn vererfd. Ook als de stof tot japon is vermaakt, behield de stof zijn waarde. De omvangrijke achttiende-eeuwse japonnen leverden veel materiaal op, waaruit van alles gemaakt is voor latere generaties.Vermaakte kleding is veelal moeilijk te herkennen, want zo goed en kwaad als het ging zijn sporen van eerder naaiwerk zorgvuldig weggewerkt. Het model van deze groenblauwe japon met de lage ronde hals, een verhoogde taille en lange mouwen sluit aan op de mode van circa 1795-1800. De zijden damast met de grote ingeweven ornamenten is echter typisch voor het midden van de achttiende eeuw. Hoewel kleuren en dessin in zijde wel veranderen, blijven stevige zijden stoffen de gehele eeuw gangbaar. Kleine naaigaatjes en oude stofvouwen in deze japon zijn sporen van veranderingen die zichtbaar blijven in de stevige dicht geweven stoffen uit deze tijd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Via levensgrote modepoppen – de pandora´s - die naar de verschillende hoofdsteden in West-Europa werden gestuurd, verspreidde zich het laatste modenieuws uit Parijs. Deze aangeklede poppen droegen japonnen naar de laatste Franse hofmode. In de tweede helft van de achttiende eeuw bestond een japon uit een overkleed en een bijbehorende rok. Brede heupen waren het toppunt van schoonheid. Het accent lag op de breed uitstaande, afgeplatte rok en de smalle taille. Om dit effect te bereiken werden paniers – bouwsels van wilgentenen of baleinen – op de heupen onder de japon gedragen. Kleding was voor zowel vrouwen als mannen uitbundig opgesierd met linten, passementen, volants en kantjes. Uit de halve mouwen van de japon werden stroken van kant of geborduurd batist, de engageantes, gedragen. Op de rug liggen platte plooien die vanaf de schouders uitwaaieren, de pli Watteau. Het model wordt robe à la française genoemd. In 1733 beschreef Justus van Effen in De Hollandsche Spectator hoe hij langs het Haagse Voorhout een dame ziet lopen met paniers. Hij moet een paar keer goed kijken, maar : ‘….naar maate ik naderde bespeurde ik duidelijk dat het een vrouw was. […]’. Verder vermeldt hij dat de rok ‘ in zyn gansche omtrek van zo een gruwelyke breedte [had], dat er een talryk huischgezin gemakkelyk onder zou hebben kunnen schuilen’. Een vriend vertelt hem dat het de laatste mode uit Parijs is. Rond 1770 raakt de panierdracht uit de mode, maar als galajapon en aan het hof blijft deze tot aan de Franse revolutie in 1789 in gebruik.ns3:AHMTextsAuthor
_:Via levensgrote modepoppen – de pandora´s - die naar de verschillende hoofdsteden in West-Europa werden gestuurd, verspreidde zich het laatste modenieuws uit Parijs. Deze aangeklede poppen droegen japonnen naar de laatste Franse hofmode. In de tweede helft van de achttiende eeuw bestond een japon uit een overkleed en een bijbehorende rok. Brede heupen waren het toppunt van schoonheid. Het accent lag op de breed uitstaande, afgeplatte rok en de smalle taille. Om dit effect te bereiken werden paniers – bouwsels van wilgentenen of baleinen – op de heupen onder de japon gedragen. Kleding was voor zowel vrouwen als mannen uitbundig opgesierd met linten, passementen, volants en kantjes. Uit de halve mouwen van de japon werden stroken van kant of geborduurd batist, de engageantes, gedragen. Op de rug liggen platte plooien die vanaf de schouders uitwaaieren, de pli Watteau. Het model wordt robe à la française genoemd. In 1733 beschreef Justus van Effen in De Hollandsche Spectator hoe hij langs het Haagse Voorhout een dame ziet lopen met paniers. Hij moet een paar keer goed kijken, maar : ‘….naar maate ik naderde bespeurde ik duidelijk dat het een vrouw was. […]’. Verder vermeldt hij dat de rok ‘ in zyn gansche omtrek van zo een gruwelyke breedte [had], dat er een talryk huischgezin gemakkelyk onder zou hebben kunnen schuilen’. Een vriend vertelt hem dat het de laatste mode uit Parijs is. Rond 1770 raakt de panierdracht uit de mode, maar als galajapon en aan het hof blijft deze tot aan de Franse revolutie in 1789 in gebruik.ns3:AHMTextsAuthor
_:Via levensgrote modepoppen – de pandora´s - die naar de verschillende hoofdsteden in West-Europa werden gestuurd, verspreidde zich het laatste modenieuws uit Parijs. Deze aangeklede poppen droegen japonnen naar de laatste Franse hofmode. In de tweede helft van de achttiende eeuw bestond een japon uit een overkleed en een bijbehorende rok. Brede heupen waren het toppunt van schoonheid. Het accent lag op de breed uitstaande, afgeplatte rok en de smalle taille. Om dit effect te bereiken werden paniers – bouwsels van wilgentenen of baleinen – op de heupen onder de japon gedragen. Kleding was voor zowel vrouwen als mannen uitbundig opgesierd met linten, passementen, volants en kantjes. Uit de halve mouwen van de japon werden stroken van kant of geborduurd batist, de engageantes, gedragen. Op de rug liggen platte plooien die vanaf de schouders uitwaaieren, de pli Watteau. Het model wordt robe à la française genoemd. In 1733 beschreef Justus van Effen in De Hollandsche Spectator hoe hij langs het Haagse Voorhout een dame ziet lopen met paniers. Hij moet een paar keer goed kijken, maar : ‘….naar maate ik naderde bespeurde ik duidelijk dat het een vrouw was. […]’. Verder vermeldt hij dat de rok ‘ in zyn gansche omtrek van zo een gruwelyke breedte [had], dat er een talryk huischgezin gemakkelyk onder zou hebben kunnen schuilen’. Een vriend vertelt hem dat het de laatste mode uit Parijs is. Rond 1770 raakt de panierdracht uit de mode, maar als galajapon en aan het hof blijft deze tot aan de Franse revolutie in 1789 in gebruik.ns3:AHMTextsAuthor
_:Volgens Scheltema zou het glas afkomstig zijn van het Sint Sebastiaansgilde (Scheltema [ca 1881]-C, p. 13 nr 55.1).ns3:AHMTextsAuthor
_:Voor de Franse revolutie is het standenverschil duidelijk zichtbaar in de kleding die men draagt. Samen met de standenmaatschappij vervalt de overdadige versiering in de kleding. De strenge lijn van de Empire-periode, geïnspireerd op de Klassieke Oudheid, volgt. Model voor de nieuwe, sluik vallende japonnen met hoge taille, laag uitgesneden hals en korte pofmouwen zijn de antieke Griekse gewaden. Wit is favoriet. De nieuwe japonnen zijn van dunne stoffen als mousseline en batist. Voor het Nederlandse klimaat niet de meest comfortabele dracht. Onder de japonnen wordt een hemd, een onderjurk en een smal, licht korsetje gedragen dat de buste omhoog duwt. Degenen die het aandurven laten het korsetje achterwege. Kasjmier sjaals uit India bieden wat warmte bij deze japonnetjes. Bij deze dracht worden platte satijnen schoentjes met linten om de enkels gedragen. Het haar van de dames is opgestoken en met linten en een diadeem opgesierd.ns3:AHMTextsAuthor
_:Vooral de tweede helft van de negentiende eeuw kent een opmerkelijke rouwcultuur. Hoe men zich dient te kleden en gedragen ligt vast in rouwgebruiken. De kleur om in te rouwen is en was zwart, voor zowel de hoge als de lagere standen. In de late negentiende eeuw bestaan er speciale winkels die voor begrafenissen en de rouwperiode bestaande kleding zwart verven. Indien men het zich echter kan veroorloven wordt nieuwe kleding aangeschaft. Er kan, hoeveel verdriet er ook was, modieus en in stijl gerouwd worden. In modebladen wordt aan de rouwkleding voor welgestelde dames veel aandacht besteed. Een etiquetteboek meldt: 'let op, de wereld oordeelt juist wat rouw betreft, streng! Willekeurige beperking baart opzien'. Modellen van de japonnen volgen de mode op de voet, maar zijn in het zwart en aangepast aan de rouw. Niet alleen de japon moet in het teken van de rouw staan, ook alle accessoires, schoenen, waaiers, oorbellen, kettingen, kousen en handschoenen zijn hier op afgestemd. Het is een kostbare aangelegenheid geweest. De directe naasten kennen een periode van zware rouw, waar een periode van lichte rouw op volgt. Het zwart wordt dan vervangen door grijs en bepaalde stoffen zijn weer toegestaan. Hoewel zwart snel wordt geassocieerd met rouw, wordt er tot halverwege de twintigste eeuw ook heel veel getrouwd in stemmig zwart. Het is zelfs heel gebruikelijk om de zwarte japon die gedragen was bij het huwelijk, ook te dragen bij speciale kerkelijke feesten, andere 'deftige momenten' en in tijden van rouw.ns3:AHMTextsAuthor
_:Vooral de tweede helft van de negentiende eeuw kent een opmerkelijke rouwcultuur. Hoe men zich dient te kleden en gedragen ligt vast in rouwgebruiken. De kleur om in te rouwen is en was zwart, voor zowel de hoge als de lagere standen. In de late negentiende eeuw bestaan er speciale winkels die voor begrafenissen en de rouwperiode bestaande kleding zwart verven. Indien men het zich echter kan veroorloven wordt nieuwe kleding aangeschaft. Er kan, hoeveel verdriet er ook was, modieus en in stijl gerouwd worden. In modebladen wordt aan de rouwkleding voor welgestelde dames veel aandacht besteed. Een etiquetteboek meldt: 'let op, de wereld oordeelt juist wat rouw betreft, streng! Willekeurige beperking baart opzien'. Modellen van de japonnen volgen de mode op de voet, maar zijn in het zwart en aangepast aan de rouw. Niet alleen de japon moet in het teken van de rouw staan, ook alle accessoires, schoenen, waaiers, oorbellen, kettingen, kousen en handschoenen zijn hier op afgestemd. Het is een kostbare aangelegenheid geweest. De directe naasten kennen een periode van zware rouw, waar een periode van lichte rouw op volgt. Het zwart wordt dan vervangen door grijs en bepaalde stoffen zijn weer toegestaan. Hoewel zwart snel wordt geassocieerd met rouw, wordt er tot halverwege de twintigste eeuw ook heel veel getrouwd in stemmig zwart. Het is zelfs heel gebruikelijk om de zwarte japon die gedragen was bij het huwelijk, ook te dragen bij speciale kerkelijke feesten, andere 'deftige momenten' en in tijden van rouw.ns3:AHMTextsAuthor
_:Vooral de tweede helft van de negentiende eeuw kent een opmerkelijke rouwcultuur. Hoe men zich dient te kleden en gedragen ligt vast in rouwgebruiken. De kleur om in te rouwen is en was zwart, voor zowel de hoge als de lagere standen. In de late negentiende eeuw bestaan er speciale winkels die voor begrafenissen en de rouwperiode bestaande kleding zwart verven. Indien men het zich echter kan veroorloven wordt nieuwe kleding aangeschaft. Er kan, hoeveel verdriet er ook was, modieus en in stijl gerouwd worden. In modebladen wordt aan de rouwkleding voor welgestelde dames veel aandacht besteed. Een etiquetteboek meldt: 'let op, de wereld oordeelt juist wat rouw betreft, streng! Willekeurige beperking baart opzien'. Modellen van de japonnen volgen de mode op de voet, maar zijn in het zwart en aangepast aan de rouw. Niet alleen de japon moet in het teken van de rouw staan, ook alle accessoires, schoenen, waaiers, oorbellen, kettingen, kousen en handschoenen zijn hier op afgestemd. Het is een kostbare aangelegenheid geweest. De directe naasten kennen een periode van zware rouw, waar een periode van lichte rouw op volgt. Het zwart wordt dan vervangen door grijs en bepaalde stoffen zijn weer toegestaan. Hoewel zwart snel wordt geassocieerd met rouw, wordt er tot halverwege de twintigste eeuw ook heel veel getrouwd in stemmig zwart. Het is zelfs heel gebruikelijk om de zwarte japon die gedragen was bij het huwelijk, ook te dragen bij speciale kerkelijke feesten, andere 'deftige momenten' en in tijden van rouw.ns3:AHMTextsAuthor
_:Vooral de tweede helft van de negentiende eeuw kent een opmerkelijke rouwcultuur. Hoe men zich dient te kleden en gedragen ligt vast in rouwgebruiken. De kleur om in te rouwen is en was zwart, voor zowel de hoge als de lagere standen. In de late negentiende eeuw bestaan er speciale winkels die voor begrafenissen en de rouwperiode bestaande kleding zwart verven. Indien men het zich echter kan veroorloven wordt nieuwe kleding aangeschaft. Er kan, hoeveel verdriet er ook was, modieus en in stijl gerouwd worden. In modebladen wordt aan de rouwkleding voor welgestelde dames veel aandacht besteed. Een etiquetteboek meldt: 'let op, de wereld oordeelt juist wat rouw betreft, streng! Willekeurige beperking baart opzien'. Modellen van de japonnen volgen de mode op de voet, maar zijn in het zwart en aangepast aan de rouw. Niet alleen de japon moet in het teken van de rouw staan, ook alle accessoires, schoenen, waaiers, oorbellen, kettingen, kousen en handschoenen zijn hier op afgestemd. Het is een kostbare aangelegenheid geweest. De directe naasten kennen een periode van zware rouw, waar een periode van lichte rouw op volgt. Het zwart wordt dan vervangen door grijs en bepaalde stoffen zijn weer toegestaan. Hoewel zwart snel wordt geassocieerd met rouw, wordt er tot halverwege de twintigste eeuw ook heel veel getrouwd in stemmig zwart. Het is zelfs heel gebruikelijk om de zwarte japon die gedragen was bij het huwelijk, ook te dragen bij speciale kerkelijke feesten, andere 'deftige momenten' en in tijden van rouw.ns3:AHMTextsAuthor
_:Vooral de tweede helft van de negentiende eeuw kent een opmerkelijke rouwcultuur. Hoe men zich dient te kleden en gedragen ligt vast in rouwgebruiken. De kleur om in te rouwen is en was zwart, voor zowel de hoge als de lagere standen. In de late negentiende eeuw bestaan er speciale winkels die voor begrafenissen en de rouwperiode bestaande kleding zwart verven. Indien men het zich echter kan veroorloven wordt nieuwe kleding aangeschaft. Er kan, hoeveel verdriet er ook was, modieus en in stijl gerouwd worden. In modebladen wordt aan de rouwkleding voor welgestelde dames veel aandacht besteed. Een etiquetteboek meldt: 'let op, de wereld oordeelt juist wat rouw betreft, streng! Willekeurige beperking baart opzien'. Modellen van de japonnen volgen de mode op de voet, maar zijn in het zwart en aangepast aan de rouw. Niet alleen de japon moet in het teken van de rouw staan, ook alle accessoires, schoenen, waaiers, oorbellen, kettingen, kousen en handschoenen zijn hier op afgestemd. Het is een kostbare aangelegenheid geweest. De directe naasten kennen een periode van zware rouw, waar een periode van lichte rouw op volgt. Het zwart wordt dan vervangen door grijs en bepaalde stoffen zijn weer toegestaan. Hoewel zwart snel wordt geassocieerd met rouw, wordt er tot halverwege de twintigste eeuw ook heel veel getrouwd in stemmig zwart. Het is zelfs heel gebruikelijk om de zwarte japon die gedragen was bij het huwelijk, ook te dragen bij speciale kerkelijke feesten, andere 'deftige momenten' en in tijden van rouw.ns3:AHMTextsAuthor
_:Vooral de tweede helft van de negentiende eeuw kent een opmerkelijke rouwcultuur. Hoe men zich dient te kleden en gedragen ligt vast in rouwgebruiken. De kleur om in te rouwen is en was zwart, voor zowel de hoge als de lagere standen. In de late negentiende eeuw bestaan er speciale winkels die voor begrafenissen en de rouwperiode bestaande kleding zwart verven. Indien men het zich echter kan veroorloven wordt nieuwe kleding aangeschaft. Er kan, hoeveel verdriet er ook was, modieus en in stijl gerouwd worden. In modebladen wordt aan de rouwkleding voor welgestelde dames veel aandacht besteed. Een etiquetteboek meldt: 'let op, de wereld oordeelt juist wat rouw betreft, streng! Willekeurige beperking baart opzien'. Modellen van de japonnen volgen de mode op de voet, maar zijn in het zwart en aangepast aan de rouw. Niet alleen de japon moet in het teken van de rouw staan, ook alle accessoires, schoenen, waaiers, oorbellen, kettingen, kousen en handschoenen zijn hier op afgestemd. Het is een kostbare aangelegenheid geweest. De directe naasten kennen een periode van zware rouw, waar een periode van lichte rouw op volgt. Het zwart wordt dan vervangen door grijs en bepaalde stoffen zijn weer toegestaan. Hoewel zwart snel wordt geassocieerd met rouw, wordt er tot halverwege de twintigste eeuw ook heel veel getrouwd in stemmig zwart. Het is zelfs heel gebruikelijk om de zwarte japon die gedragen was bij het huwelijk, ook te dragen bij speciale kerkelijke feesten, andere 'deftige momenten' en in tijden van rouw.ns3:AHMTextsAuthor
_:Voormalige collectie E.S. Blaisse te Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Voormalige collectie E.S. Blaisse te Amsterdam. Fles ter bewaring van een met water aan te lengen aperatief, gestookt uit anijszaad en andere kruiden.ns3:AHMTextsAuthor
_:Voormalige collectie Haks-Ambaum te Groningen.ns3:AHMTextsAuthor
_:Voormalige collectie Museum Het Broekerhuis te Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Voormalige collectie Museum Het Broekerhuis te Amsterdam.ns3:AHMTextsAuthor
_:Voormalige collectie Museum het Broekerhuis te Amsterdam. Een donder- of weerglas fungeerde als barometer. Dit type weerglas wordt vanwege de gekartelde randen een hanenkammodel genoemd. Bij hoge druk stond het water in de tuit lager, bij lage druk hoger. Soortgelijke weerglazen komen voor in de ontwerpcatalogus van de glasfabriek van Sébastien Zoude in Namen, ca 1762 (Toussaint 1997, p. 69 afb. linksboven, p. 80 afb. rechtsonder).ns3:AHMTextsAuthor
_:Vrouwen zijn van oudsher in hun mooiste japon getrouwd en die was bij voorkeur kleurig. In het laatste kwart van de negentiende eeuw is ook zwart een geliefde kleur om in te trouwen. Alleen bruiden van vorstelijke huizen trouwen dan in zilverbrokaat of wit satijn. In de loop van de achttiende eeuw volgen ook adel en rijke burgerij deze gewoonte. Pas in het begin van de negentiende eeuw wordt trouwen in het wit gebruikelijker. Er ontstaat een uitgebreide etiquette met daarin voorgeschreven hoe men zich dient te gedragen en hoe men zich moet kleden. Net als de rouwjapon volgt de negentiende-eeuwse trouwjapon de gangbare mode, al dienen ze beiden wel eenvoudig en ingetogen te zijn. Het aanvankelijke decolleté van trouwjaponnen wordt halverwege de eeuw hooggesloten. Vanaf 1880 valt een toename van bruidskleding in modetijdschriften op. De opkomst van de confectie-industrie en het grootwinkelbedrijf maken dat een groter publiek zich volgens de laatste mode gaat kleden. Deze trouwjapon is gedragen door Maria Mechtildis Ludovica Smits (1855-1926). Zij trouwt op 9 september 1880 met Petrus Johannes Coovels (1850-1901), eigenaar van een bontweverij in Helmond. Het model van de jurk - met de lange nauwe mouwen, de kleine pofmouwtjes hier overheen en de bloezende voorkant van het lijfje - sluit niet aan bij de mode van 1880. Hoewel het niet ongebruikelijk was om een bruidsjapon te vermaken en op andere gelegenheden te dragen, lijkt de japon pas rond 1900 vermaakt te zijn. De bij de japon behorende schoentjes zijn overigens wél modieus voor de jaren 1880.ns3:AHMTextsAuthor
_:Vrouwen zijn van oudsher in hun mooiste japon getrouwd en die was bij voorkeur kleurig. In het laatste kwart van de negentiende eeuw is ook zwart een geliefde kleur om in te trouwen. Alleen bruiden van vorstelijke huizen trouwen dan in zilverbrokaat of wit satijn. In de loop van de achttiende eeuw volgen ook adel en rijke burgerij deze gewoonte. Pas in het begin van de negentiende eeuw wordt trouwen in het wit gebruikelijker. Er ontstaat een uitgebreide etiquette met daarin voorgeschreven hoe men zich dient te gedragen en hoe men zich moet kleden. Net als de rouwjapon volgt de negentiende-eeuwse trouwjapon de gangbare mode, al dienen ze beiden wel eenvoudig en ingetogen te zijn. Het aanvankelijke decolleté van trouwjaponnen wordt halverwege de eeuw hooggesloten. Vanaf 1880 valt een toename van bruidskleding in modetijdschriften op. De opkomst van de confectie-industrie en het grootwinkelbedrijf maken dat een groter publiek zich volgens de laatste mode gaat kleden. Deze trouwjapon is gedragen door Maria Mechtildis Ludovica Smits (1855-1926). Zij trouwt op 9 september 1880 met Petrus Johannes Coovels (1850-1901), eigenaar van een bontweverij in Helmond. Het model van de jurk - met de lange nauwe mouwen, de kleine pofmouwtjes hier overheen en de bloezende voorkant van het lijfje - sluit niet aan bij de mode van 1880. Hoewel het niet ongebruikelijk was om een bruidsjapon te vermaken en op andere gelegenheden te dragen, lijkt de japon pas rond 1900 vermaakt te zijn. De bij de japon behorende schoentjes zijn overigens wél modieus voor de jaren 1880.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor een soortgelijk glas: Ritsema van Eck/Zijlstra-Zweens 1993, p. 54 nr 65 afb., en voor stamvormen: Henkes 1994, p. 221 nr 48.4 afb.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor een soortgelijk slangenglas: Liefkes [1989], p. 80 nr 56ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor een soortgelijke drinkschaal: Ritseman van Eck/Zijlstra-Zweens 1993, p. 74 nr 96 afb.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor een soortgelijke fles: Five 1995, p. 170 afb. 216 (links).ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor een soortgelijke humpen: Von Saldern 1995, p. 113 nr 47 afb.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor een soortgelijke schaal : Barovier Mentasti 1982, p. 166 afb. 159ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor een soortgelijke schaal op voet: Böhmische 1995, dl 3 p. 62 afb. III.67ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor een soortgelijke schaal: Ritsema van Eck/Zijlstra-Zweens 1993, p. 72 nr 94.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor een soortgelijke tazza: Barovier Mentasti 1982, p. 99 afb. 88.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor een soortgelijke trembleuse: Barovier Mentasti 1982, p. 166 afb. 159ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor soortgelijk glas: Barovier Mentasti 1982, p. 206 afb. 206, p. 207 nr 206ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor soortgelijk glas: Henkes 1994, p. 209 nr 46.19 afb.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor soortgelijk glas: Ritsema van Eck/Zijlstra-Zweens 1993, p. 48 nr 54 afb.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor soortgelijke achtkantige berkemeiers: Liefkes [1989], p. 83 nr 62 afb.; Henkes 1994, p. 198 noot 125, afb. 45.18ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor soortgelijke bokaal: Ritsema van Eck/Zijlstra-Zweens 1993, p. 78 nr 101.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor soortgelijke flessen: Ritsema van Eck 1995, p. 84 nrs 60-62 afb.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor soortgelijke fluitglazen en stamversieringen: Catalogus 1962, p. 22 nr 12; Ritsema van Eck/Zijlstra-Zweens 1993, p. 51 nr 60 afb.; Henkes 1994, p. 218 afb. 35; Mees 1994, p. 64 nr 30 afb.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor soortgelijke glazen: Liefkes [1989], p. 86 nr 66 afb.; Henkes 1994, pp 214-215 nr 47.4 afb.ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor soortgelijke trembleuse: Barovier Mentasti 1982, p. 166 afb. 159ns3:AHMTextsAuthor
_:Zie voor soortgelijke trembleuse: barovier Mentasti 1982, p. 166 afb. 159ns3:AHMTextsAuthor
_:Zilveren greep met bolvormige knop waarin belletje. Rondom knop het gegraveerde opschrift: ALST*WT*IS*BELT*/, waarboven het jaartal: 1521./. Het zilveren montuur met het jaartal 1521 is vermoedelijk negentiende-eeuws.ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl107721ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl107735ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl109820ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl111626ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl120519ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl120531ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl127238ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl127282ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl181824ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl181895ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl187849ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl187866ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl195111ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl195211ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl195232ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl195261ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl195271ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl195298ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl195310ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl195352ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl195406ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl195520ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl26320ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl26361ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl26375ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl26564ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl26709ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl26922ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl26938ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27061ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27223ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27247ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27277ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27290ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27435ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27469ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27541ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27572ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27617ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27631ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27647ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27701ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27746ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27762ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27812ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27854ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27867ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27920ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27960ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl27975ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28007ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28046ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28060ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28094ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28125ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28243ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28295ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28390ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28425ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28445ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28477ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28489ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28607ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28621ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28684ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28701ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28715ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28753ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28863ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28881ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28894ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28956ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28974ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl28989ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl29001ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl29120ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl29133ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl29273ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl29871ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl30266ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl32959ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl492293ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl550134ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl550163ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl550273ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl550567ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl550616ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl551322ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl551455ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl551487ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl551582ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl551822ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl551823ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl551941ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl552003ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl56023ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl561228ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl561238ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl561248ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl561258ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl561268ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl561278ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl56136ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl57575ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl57590ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl57604ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl60960ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl62980ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl63050ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl74231ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl86256ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl86799ns3:AHMTextsAuthor
_:am-data.ttl95807ns3:AHMTextsAuthor
_:oud stadsbezitns3:AHMTextsAuthor
ns3:p-3974ns3:name
<http://viaf.org/viaf/51976523/#rdaEnt:Person>Preferred name for the person